Couperus’ Metamorfoze opnieuw gewaargeworden

DOOR 

I

Louis Couperus’ Metamorfoze heb ik na bijna een halve eeuw opnieuw gelezen. Ik was toen wat jonger dan Hugo Aylva in het eerste van de vijf boeken waaruit deze roman uit 1897 bestaat. Hoewel ik nu de hoofdfiguur een zelfmiddelpuntig verwend nest vind, kon ik mij toen volledig vereenzelvigen met de twintigjarige dichter, die zwoegde op zijn terzinen om Torquato Tasso met diens Aminta tot leven te wekken.
    Zelf was ik in die tijd ook zelfmiddelpuntig en eenzaam, droefgeestig en anders dan anderen – maar niet verwend; nu overigens wel. Ik was toen alleengelaten, en meer dan straatarm. Ik huisde met mijn ‘Couperus’, toen voor handen in lelijk gedrukte Amstelpockets, op een huurkamer bij een strenge hospita in Amsterdam. (Later heb ik al die deeltjes weggedaan – de aantekeningen achterin zijn dus verloren gegaan – en vervangen door de Van Oorschot-editie, nog onder in mijn boekerij aanwezig, maar nadien voorbeeldig opnieuw vervangen door Volledige Werken, waarvan dit boek deel 13 uitmaakt.)
    Misschien meer nog dan in de persoon van Aylva, met wie ik dus gelijkenis gevoelde, leefde ik mij in hoe hij daar in Den Haag zorgeloos leefde in zijn tuinkamer, omringd door boeken en beschikkend over alle uren van de dag om te lezen en te schrijven. Elders in huis de terughoudende en zorgzame moeder. En dan nog schoolvriend Herman Scheffer, zo prettig tegen het leven opgewassen en zo anders van karakter, met wie hij samen leest en een glas wijn drinkt. ‘Scheffer was zeer pozitief en atheïst en dweepte met Multatuli. Aylva was zeer metafyzisch en hield niets van Multatuli.’
    Zo is het mij vergaan: geen Multatuli maar Couperus, van wie ik alles trachtte te lezen en wiens wereldbeelden voor mij waren als balsem voor de ziel en als troost voor het hart. Zoals Hugo, zo wilde ik wel zijn: ‘een kluizenaar in zijn kleine kamer.’ Een aangenamer bestaan in het ondermaanse, dat mij evenals Aylva zinloos voorkwam, kon ik mij toen niet voorstellen – in weerwil van de melancholie, die noch hem noch mijzelf (naar een woord van Victor Hugo) als ‘het genoegen treurig te zijn’ toescheen: ‘melancholie omdat niets absoluut was: omdat niets in het leven zich met gezag openbaarde; omdat alles dreef in een waas, dat men niet wist: kunst, en God, en vriendschap, en liefde en het heele leven zelve...’ [1]
    Ik heb mij toen gespiegeld aan dat leven, dat zich nu als verliteratuurd aandient – een vlucht in literatuur en een beleving van literatuur als werkelijkheid. Met daarmee in samenhang het zich niet echt willen binden aan het leven. Zo begreep ik de jongeling bij de Haagse Boschjes. Dat is mij toen te feller bewust geworden en tot op heden mijn deel gebleven.
    Het is vooral dat eerste boek van Metamorfoze dat mij altijd in herinnering is gebleven, reden waarom ik die roman nu heb herlezen. Maar hoeveel boeken lagen daar in de tuinkamer die ik nadien als vanzelf heb gelezen – niet zozeer Zola, maar wel Vondel en Potgieter, Flaubert en De Goncourt, de dichter-criticus Vosmaer, de dichter-geleerde Petrarca. Aan een biografie over deze persoon was Hugo ten slotte niet toegekomen, maar ik heb inmiddels wel een studie over Petrarca geschreven – zijn liefde voor het boek en voor de eenzaamheid en zijn omgang met Vergilius, verbeeld door Simone Martini (op te slaan in mijn Gezellin van de Stilte van 1992).

12
En wat Aylva’s voorliefde voor de renaissance en het humanisme (niet het huidige maar het oorspronkelijke) aangaat, die ook elders in de roman figureert met zijn reizen naar Florence, waar hij Memmi’s Annunciatie in de Uffizi bewonderde (tegenwoordig voor het middendeel toegeschreven aan Simone Martini), en naar Rome, waar hij de antieke en de pauselijke stad leerde kennen en waar hij een langere periode verblijf hield? Ik reisde elk jaar, een twintigtal keren achtereen, met Leidse studenten kunstgeschiedenis naar de stad aan de Arno en woon nu al een vijftiental jaren in de Eeuwige Stad aan de Tiber. (Couperus’ reisverslagen, opgetekend in Italië, en een roman als Langs lijnen van geleidelijkheid uit 1900 vertolken nader zijn beleving van dit schiereiland, waaromtrent Aylva verzucht: ‘Zoo was Italië Hugo sympathiek, omdat Italië was gezond en Hugo ziek.’)
    Daar in Rome was het dat Hugo, inmiddels vijfentwintig jaar geworden, de verboden liefde in roman heeft verwoord tussen ‘leven van vorst en leven van volksman’ – een

13
typisch Couperiaanse wending in een dergelijke ongehoordheid (zoals ook in Noodlot uit 1890 gestalte gegeven): de verbinding tussen de aristocraat en de arbeider, tussen de verfijnd en verheven besnaarde, en de natuurlijk en gewoon geschapene, als zouden aristocraten nog eens het herdersleven willen naspelen zoals in Tasso’s Aminta – nu in diepe hartstocht, dat wel. Wat is de ‘volksman’ Arnold toen overkomen in de verbeelding van de romanschrijver Hugo? ‘Hij vond een vriend. Hij vond de genoot van zijn ziel. Zijn ziel, die nooit bemind had een vrouw, beminde een ziel, die ook niet een vrouw als het hoogste beminde.’ En hoe was het toen gesteld met het gemoed van Aylva? ‘Hij werkte voort en in Anarchisme (zijn vierde roman na de twee bundels met verzen), in de vriendschap van Arnold en zijn jongen keizer, spiegelde zich weêr zijn eigen weemoed over vriendschap en gaf er waarheid aan.’ [2]

II

Naast het eerste boek, dat mij steeds is bijgebleven, kwam het derde boek van Metamorfoze – wanneer Hugo Aylva in Frankrijk en vooral in Parijs is – bij herlezing het scherpst in het geheugen terug. Hoe dikwijls heb ik in de tussentijd Frankrijk bereisd en Parijs aangedaan, en in Leiden lesgegeven over het destijds daarginds decadent bloeiende symbolisme? Hoe eigentijds en bijzonder voor toen, en hoe gemaakt en kunstmatig nu op mij overkomend – ondanks mijn grote liefde voor Baudelaire en anderen, en voor Huysmans’ À rebours, zo treffend door Jan Siebelink vertaald als Tegen de keer. En behoort ook Marcel Proust niet in dit gezelschap van verwanten, bij wie ik mij blijvend thuis weet – in mijn gebleken beperktheid en verworven terughoudendheid? En nu, bij het nog eens lezen van Couperus, meen ik te beter in te zien dat ook hij van die stroming deel uitmaakt.
    De smartelijke liefde voor de onbereikbaar blijvende dame, zoals in de tijd van de hoofsheid – heerlijk te aanbidden, evenwel niet als man, slechts als ridder, eenvoudiger nog als kind: ‘Ik heb een kleine stille, verlegen, intieme ziel: de ziel van een kind; van een kind, dat altijd treurig is geweest.’ Zo zegt Aylva tot Hélène de Vicq in de intimiteit van haar Parijse appartement: ‘wat ik verlang, is niets anders dan heel stil bij jou te zijn, zonder een woord te spreken, en van je te houden, heel stil van je te houden!’ [3] Dergelijke verliefdheid. Ik herinner mij in de dagen van mijn eerste lezing van Metamorfoze een toneelstuk van George Bernard Shaw op de Nederlandse televisie te hebben gezien. Misschien Majoor Barbara – ik weet het niet meer. Zonder moeite verplaatste ik mij in de jongeling, gespeeld door Joop Admiraal, die de vrouw van de dominee smachtelijk aanbad, gespeeld door de mij hogelijk bewonderde Ellen Vogel, die ik tot dan toe kende als Badeloch van Vondel en als Maria Stuart van Schiller in de stadsschouwburg, en later van De boeken der kleine zielen en zo nog meer, op de televisie. Zijn vurige liefdesbetuiging – die van Joop Admiraal – was de mijne, en zijn teleurstelling om haar afwijzing – die door Ellen Vogel – evenzeer. In het begin van de jaren zeventig was ik eens, na een televisieprogramma dat ik op zondagmiddag presenteerde samen met Ineke Swanvelt, door haar vriend genodigd in zijn huis aan de Vecht. Daar was met mij aan tafel gevraagd de toneelpersoonlijkheid Ellen, vriendin van Ineke. De middag week, de dag daalde en vriend Hans ontstak het vuur in de haard. Ik, de schroomvalligheid in persoon, sloeg even spontaan als plotseling de armen om de door mij beminde dame. Kort was er verlegenheid, maar toen niet meer. Later zag ik, genezen van mijn liefdeskoorts, Ellen Vogel weer in Wassenaar ten huize van de moeder van Caroline de Westenholz en Albert Vogel. De naam Couperus en de naam Vogel. Hoogst Haags zo samen.

14
Maar hoe reageerde Hélène op de liefdesbetuiging van Hugo daar in Parijs? ‘Ik kan niet van je houden als een vrouw. Ik heb mijn man liefgehad, en mijn geluk zoû geweest zijn, te hebben gevonden jouw ziel in… zijn lichaam...!’ Hoe nu als volledig eerlijk op te vatten door Aylva, en door Bodar: ‘Zoo als je bent, ben je te teêr voor me. Te zacht, te zwak. Als van een broêr, zoo hoû ik van je nu.’ [4]
    Over twee personen in Couperus’ Metamorfoze past het nog uit te weiden. Figuren ter zijde, maar voor de hoofdfiguur Hugo Aylva nagenoeg van levensbelang, en zo ook voor types als ik ben: Emilie van Neerbrugge en Dolf den Bergh. Zij als een zuster van hem, hij als een broeder van hem, van Hugo, het verwende nest tout court, en van de aan Aylva verwanten. ‘Hun vriendschap werd een hechte band, misschien omdat zij veel verschilden. In hunne vriendschap was Den Bergh, hij, die veel waardeerde, prees, bewonderde, en was Aylva, hij, die bleef passief. En toen hij nadacht over vriendschap voelde hij, dat hij wellicht nooit koesteren kon de ware vriendschap: de actieve, die geeft.’ Bespiegeling van Louis Couperus over het karakter van zijn ‘zielgenoot’ Hugo Aylva: ‘Ik kan veel geven van mijzelf in mijn metamorfoze; ik kan mijzelf afsplitsen in deelen, die zich bezielen tot geheelen, maar helemaal geef ik me niet.’
    En Emilie? ‘En zij, zij bekende het zich – het was zoo duidelijk in haar zichtbaar – zij had hem lief.’ Hoe beminde Emilie Hugo? ‘Liefde is bescherming. Zij dacht dat, zoo zij liefhad, zij beschermen zoû, zij hèm beschermen zoû, voor het Leven, het Noodlot en zichzelven.’ En hoe nader: ‘Hugo en ik, we zijn als broêr en zuster...’
    En Hugo zelf, wat beduidde voor hem liefde in hoogste zin? ‘De allerhoogste is zonder de zinnen. De zinnen mogen kiezen waar ze willen: de ziel kiest eene, en eenmaal, voor eeuwig...’ En wat was ‘de bron van zijn kunst’? De ‘levensweemoed’ – ‘de melancholie, die is gekomen in eenzame kinderen, en hun bijblijft hun leven lang’. [5]

Antoine Bodar is priester, kunsthistoricus, hoogleraar en schrijver van opstellen en boeken over cultuur en christendom. Hij woont in Rome en van tijd tot tijd in Amsterdam.
 
Noten
1. Louis Couperus, Metamorfoze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 13, p.26, 30, 44.
2. Idem, p.175, 199, 198, 203.
3. Idem, p.141.
4. Idem, p.144-145.
5. Idem, p.57, 238-239, 91, 97, 124, 131, 52.

(Uit: Arabesken 21 (2013), nr.42, p.11-14.)