Meesteres van eigen hemd

DOOR 

In vrijwel alle personages die zijn romans bevolken, hoe geborneerd of extravagant ook, kan Louis Couperus zich verplaatsen. Of het nu gaat om jaloerse roddelaars, snobs, hysterici, echtbrekers, incestplegers, pedofielen, moordenaars of meervoudig gestoorde krankzinnigen, altijd is er een mededogen voelbaar of, sterker nog, herkenning. Maar er zijn uitzonderingen. Het empathisch vermogen dat van Couperus zo’n groot schrijver maakt, ontbreekt bij zijn beschrijving van bezitterige mannen die hun echtgenotes mishandelen, echtscheiding proberen te saboteren en, als dat niet lukt, tot eerwraak overgaan.
    Couperus heeft als één van de eersten het probleem van (seksueel) geweld binnen het huwelijk aan de orde gesteld. Hij heeft in Langs lijnen van geleidelijkheid met uiterste precisie geanalyseerd welke ongeneeslijke wonden de slachtoffers van een dergelijke terreur worden toegebracht. In de gevoelshuishouding van de daders, hun motieven, hun angsten of gekrenktheden heeft hij zich daarentegen niet ingeleefd.
    In wezen kampen de afsplitsingen van Couperus allemaal met varianten van hetzelfde probleem als dat van de heldin uit zijn debuutroman Eline Vere: bittere spijt over de ruïne van hun ingestorte fantasieën. Zoals Eline ten onder gaat aan de teleurstelling die haar droomheld, de bariton Fabrice, haar bezorgt als ze hem zonder vermomming ziet, zo vergaat het ook Cornélie de Retz van Loo als de ‘mooie flinke’ huzaar Rudolf baron Brox, met wie ze, dolverliefd, op haar tweeëntwintigste trouwt, een grofgebekte geweldpleger blijkt te zijn.
    Maar wat had Brox voor geruïneerde illusies, wat verwachtte hij van het huwelijk met een mooi Haags societymeisje? Waarom sloeg hij haar in elkaar, om welke reden weigerde hij aanvankelijk een echtscheiding? Hoe haalde hij het in zijn hoofd haar na die scheiding te blijven achtervolgen, haar terug te eisen en tot zijn volledig rechteloze slavin te maken?
    Couperus suggereert dat het bij Brox om een biologisch bepaalde bezitsdrang draait, waaraan in zijn tijd, soms ook in feministische kring, geloof werd gehecht. Doorsnee vrouwen zouden zich volgens aanhangers van het sociaal-darwinisme maar al te graag overleveren aan brute dierlijke mannen, en precies als zo’n onweerstaanbaar ‘mandier’ schetst Couperus de verkrachter van Cornélie. Hij verplaatst zich echter niet in Brox, maar in zo’n doorsnee vrouw. Zijn beschrijving van de viriele, besnorde huzaar in zijn schitterende uniform, is die van een aanbidder. Het plaatje dat hij van Brox schetst, lijkt tot in de kleinste details op de overgeleverde foto’s van jonkheer Johan Ram (18611913), op wie Couperus als twintiger tot over zijn oren verliefd lijkt te zijn geweest. De auteur identificeert zich met het slachtoffer van Brox, maar de fysieke aantrekkingskracht van de ‘bruut’ spat van de bladzijden. Wat niet met zoveel woorden wordt uitgesproken, is dat Brox de verwachting koesterde dat het huwelijk hem recht gaf op gratis seks en verzorging en dat hij niet kon accepteren dat zijn vrouw die weigerde. Voor deze ultieme vernedering van het ‘mandier’ toont Couperus geen enkel gevoel en dat is jammer, omdat dáár – en niet bij de excentriciteit van Cornélie – de oorzaak ligt van wat tegenwoordig ‘geweld achter de voordeur’ heet, niet zelden eindigend in wat eufemistisch als ‘gezinsdrama’ wordt aangeduid.
    Ook een verschijnsel als eerwraak is door Couperus in beeld gebracht, eerst in aanzet in Langs lijnen en twee jaar later tot in de finesses uitgewerkt in De boeken der kleine zielen. Maar opnieuw slaagt hij er daar niet in zich te verplaatsen in de dader – in menig

23
opzicht te vergelijken met hedendaagse daders. In Couperus’ oeuvre draait het om mannen die in een overgangstijd leven. Zij zijn gevormd in martiale tradities en patriarchale structuren, maar zien zich geconfronteerd met het emancipatiestreven van – zij het nog kleine groepen – vrouwen. Seksuele beschikbaarheid van echtgenotes is niet meer vanzelfsprekend en zelfs gloort er een schoorvoetende verruiming van de mogelijkheid tot echtscheiding. De heren, mandieren of niet, zullen dit hoogstwaarschijnlijk niet zonder slag of stoot accepteren.
    De geweldpleger in De boeken der kleine zielen is geen ‘mandier’ à la Brox, maar een orthodox opgevoede stijve hark uit een gegoede Haagse familie. Via zijn huwelijk met ministersdochter Emilie van Naghel komt deze Eduard van Raven terecht in een in zijn ogen decadent milieu. Ook al beweert de kunstzinnig begaafde Emilie dat ze houdt van de door haar zusjes als ‘akelige jongen’ omschreven gladjanus, iedereen weet dat ze met hem trouwt om zijn geld. Hoewel de moeder van de bruid, Bertha, heeft geweend ‘toen Emilietje die vent wou aannemen’, organiseert ze ver boven haar budget gaande feesten om haar dochter deze goede partij in de maag te splitsen. Tijdens een diner van een kleine honderd couverts in de Ouden Doelen, voor familie en intieme kennissen van de Van Naghels en Van Ravens, becommentariëren de ooms en tantes van de bruid hun nieuwe, aangetrouwde familielid.
    Couperus leeft zich helemaal uit, ook in de beschrijvingen van het uiterlijk en het gedrag van de bruidegom. Constance, wegens overspel het zwarte schaap van de familie, schetst Eduard van Raven als ‘bleek, dun, stotterend, stamelend, correct en toch onhandig, met een scheeven schouder en drie haartjes van een snor in de lucht, werkzaam aan Buitenlandsche Zaken; uit eene familie, wier onvervalschte Hollandsche orthodoxe gestrengheid zich ergerde aan veel in de Van Lowe’s, de Van Naghels en vooral aan het Indische element der Ruyvenaers, maar die toch de dochter van den algemeen rijk gedachten minister van koloniën een geschikte partij voor haar zoon hadden geacht.’
    De onverholen minachting voor Eduard wordt het duidelijkst verwoord door Constances broer Paul. Hij noemt Emilies aanstaande een ‘peenplukker’, ‘die zoo een beetje Duitsch nadoet,

24
omdat hij veertien dagen in Berlijn is geweest – zijn snor à la Kaiser in de lucht, zijn straffe militaire buigingen, die hij nog onhandig doet op den koop toe’. En hij eindigt zijn scheldpartij met de opmerking: ‘De kerel is zoo dom als mijn schoen...’ Een andere oom zegt: ‘Een verloopen sujet, die aanstaande neef van me.’ Roddeltante Adolfine fluistert over de moeder van de bruidegom dat ze er uitziet als een ‘pottetrien’.
    Anders dan voor alle geschifte personages in de familie van Emilie, van wie Couperus elke zielstoestand, iedere schakering van hun gemoed in fijne pennenstreken schildert, heeft hij voor de complexiteit van Eduards karakter geen oog. Hij behoort tot de ‘flat characters’ in Couperus’ oeuvre, alleen geschapen om Emilie als mishandelde echtgenote reliëf te geven. Aan diskwalificaties geen gebrek, maar wat bezielde Van Raven? Wat ging er om in zijn hoofd en in zijn hart? Wat dreef hem tot geweld?
    Net zoals Brox Cornélie in elkaar mept, zo ranselt Van Raven Emilie af. Kort na de bruiloft vlucht Emilie naar haar ouderlijk huis, waar ze haar familieleden vertelt dat ze wil scheiden, omdat haar man haar mishandelt. Haar ouders, bang voor de schande die ze over de familie brengt, steunen haar niet, haar broers en zusters kunnen weinig voor haar doen. Alleen broer Henri springt voor haar in de bres.
    De krachttermen die Couperus bezigt om Eduard te typeren, laten geen misverstand bestaan over de manier waarop hij tegen gewelddadige echtgenoten aankeek: Eduard is volslagen krankzinnig. Als hij naar het huis van zijn schoonouders komt om zijn vrouw terug te eisen en desnoods ‘naar huis te ranselen’, portretteert Couperus hem als de ultieme loser: ‘Hij had geheel en al verloren zijn correcte onbeduidendheid; hij stond daar ruw en razend, als een boerenkinkel.’ ‘Je bent geen man. Je bent een beest!’, schreeuwt Emilie, en de verteller voegt toe: ‘Hij raasde, als uit zichzelven. Hij vloekte en zijn mond was als bedekt met schuim. (…) Hij sprong op haar toe, pakte haar bij de tengere schouders, schudde haar, zijn mond verwrongen, zijn oogen puilende, als krankzinnig van razernij.’ Zelfs de oude dienstmeid Leentje noemt Eduard tot vijf maal toe ‘smeerlap’. Emilies zus Louise maakt hem uit voor ‘een làffe ploert, die vrouwen slaat en scheldt’. En ook Henri, die spoorslags uit Leiden is gekomen, gebruikt dat woord: ‘Die ploert! riep hij uit. Die ploert!! Hij heeft je geslagen?! Ik zal hem... ik zal hem.’
    Net zoals we in Langs lijnen van geleidelijkheid alleen Cornélies kant van het geweldsverhaal te horen krijgen, vertelt Couperus Emilies mishandeling slechts vanuit haar perspectief. In de gevoelens van Eduard, die juridisch gesproken volledig in zijn recht staat en die zich gezien zijn stijve ‘orthodox Hollandse’ achtergrond ook niet veel anders kan gedragen dan hij doet, verplaatst hij zich niet. De achtergrond van de echtelijke twist is ongetwijfeld dat Emilie hem de seksuele gunsten weigert die ze aan haar huwelijkse staat verplicht is. Maar daar kan ze natuurlijk bij haar familie niet mee aankomen. ‘Ik heb geen leven...’, roept ze daarom. ‘Hij is gek van gierigheid. Hij sluit mijn linnenkast af... omdat ik te veel hemden gebruik en een veel te groote wasch heb en een te dure waschvrouw! Hij gunt me maar éen hemd in de week! Hij is gek... hij is gek geworden! Ik heb een week lang iederen dag drie hemden gebruikt, om hem te ergeren... en al die hemden heb ik gegooid in ZIJN vuillinnenmand... om hem te ergeren! Vanochtend vond hij ze! Ik heb hem gezegd, dat ik meesteres was van mijn hemden en er net zooveel gebruikte als ik woû... Toen is hij razend geworden en hij heeft me geslagen...’
    ‘Meesteres van eigen hemd’ betekent hetzelfde als ‘Baas in eigen buik’. Emilie heeft geen leven bij Eduard en wil scheiden. Couperus was een feminist pur sang, maar hij besefte ook wat de prijs was die een naar autonomie strevend individu moest betalen. Het eindigt ermee dat Emile samen met Henri naar Parijs vlucht, waar ze als kunste-

25
naarspaar samenleven. In Den Haag ontstaat de roddel dat Emilie de gunsten die ze haar echtgenoot weigerde, aan haar broer verleent. Couperus-kenners weten wel beter; Henri en zij zijn zielsverwanten, geen amants. Maar maak dat een peenplukker, zoon van een pottetrien, maar eens duidelijk. De orthodox opgevoede Eduard voelt zich diep in zijn kruis getast en zint op wraak. Eerwraak. Ook al is er een echtscheiding uitgesproken, hij accepteert deze niet, gaat naar Parijs en steekt Henri dood.
    Van Eduard is sindsdien niets meer vernomen en dat is spijtig. Zo genuanceerd als Couperus alle schakeringen schetst van de conflictsituaties in de excentrieke karakters van Emilie, Henri en de rest van hun familie, zo weinig begrijpt hij van wat in zijn tijd beschouwd werd als een normale man die zijn rechten opeist. Dat zijn vrouw, zijn wettelijke bezit, zich de meesteres van haar eigen hemd noemt, voelt hij als een ultieme vernedering. Als Couperus een dergelijke krenking toch eens had kunnen navoelen… Wat een onthullende literatuur zou dat hebben opgeleverd.

Elsbeth Etty is journaliste en is als bijzonder hoogleraar Literaire kritiek verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

(Uit: Arabesken 21 (2013), nr.42, p.22-25.)