Het type van de ‘breekbare man’ in het Nederlandse verhalend proza van het fin de siècle (1890-1910)
‘De vrucht van een degeneratie’

Narcissus (1863) van Paul Dubois. Collectie Musée d'Orsay  

In de romancyclus De boeken der kleine zielen (1901-1903) toont de dilettant Paul van Lowe zich een kind van zijn tijd: ‘Wij, menschen, zitten volgepropt met oude ideeën: we erfden ze over; ze zitten ons in het bloed… En we leven in een maatschappij, waar de nieuwe ideeën al ontbloeien (…) Maar ik, voor mij, zit zoo vol oude ideeën in mijn bloed, dat ik niet meê kan…’ [1] Paul is een ‘breekbare man’, een vervrouwelijkt type personage dat in het verhalend proza van het fin de siècle een intrigerende rol speelt.

DOOR 

Het type van de ‘breekbare man’ komt vooral voor in verhalende teksten van Louis Couperus, maar ook in romans, novellen en verhalen van auteurs als Frans Coenen, Marcellus Emants en Johan de Meester. Deze schrijvers presenteren dit karakteristieke verhaalpersonage op een opmerkelijk overeenkomstige wijze, zowel wat betreft de beschrijving van zijn uiterlijk en innerlijk als wat de manier aangaat waarop hij in hun verhalen functioneert.
    De ‘breekbare man’ is een nog niet eerder beschreven en hier geïntroduceerd type. Hij is in veel opzichten vergelijkbaar met de zogenoemde ‘femme fragile’, een type personage dat regelmatig voorkomt in de literatuur en beeldende kunst van het fin de siècle. Deze vrouwelijke pendant van de ‘breekbare man’ is de afgelopen jaren uitvoerig gedocumenteerd. [2] Een voorbeeld van een fragiele vrouw is de etherische Ellie in Vlindertje (1901) van Borel. In deze mierzoete roman wordt Ellie op een voor de ‘femme fragile’ kenmerkende manier beschreven:

Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar lichtblauwe-droom-oogen en haar rank, teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp dan een vrouw voor het groote Leven. Als een vreemde, exotische orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van allergevoeligste essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte couleuren, omgeven van zijde en satijn. [3]

Ellie is vergelijkbaar met fragiele vrouwen als Cecile in Extaze (1892) van Couperus en Carla in Tragische levens (1901) van Reyneke van Stuwe. Alle drie hebben zij feeërieke blonde haren, dromerige lichtblauwe ogen en een gracieuze gestalte. Ze zijn mooi en begeerlijk als kostbare kunstvoorwerpen.
    Het valt echter op dat Ellie ook als twee druppels water lijkt op haar stiefbroer, jonkheer Eduard van Wedell. Die observatie roept vragen op. De representatie van Pim, zoals zijn roepnaam luidt, doet zonder meer denken aan de wijze waarop zijn literaire zusje gestalte krijgt:

Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed van een te oud geworden, te weinig

5

vermengd aristocratenras, maar hij was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage walging. [4]

De uitbeelding van de ‘femme fragile’ en de ‘breekbare man’ wordt bepaald door stereotiepe geslachtskenmerken. Hoewel Pim het evenbeeld is van Ellie, wordt hij minder positief gewaardeerd dan zijn fragiele stiefzuster. Hij ontbeert bijvoorbeeld typisch mannelijke eigenschappen als kracht en werkzaamheid. Het type van de ‘femme fragile’ daarentegen wordt, ondanks haar lichamelijke zwakte en nerveuze aanleg, doorgaans wel positief geïnterpreteerd. Dit verschil in waardering hangt samen met de manier waarop mens en wetenschap omstreeks 1900 over mannelijkheid en vrouwelijkheid dachten.

Een tere ziel
Net als de schone jongeling Narcissus is de ‘breekbare man’ gebiologeerd door zijn eigen spiegelbeeld. Maar zijn voorkomen kan hem nauwelijks bekoren. Zijn gezicht is ontsierd door een ongezond bleke huidskleur en een paar uitgebluste ogen liggen diep verzonken in hun kassen. Bovendien hangen zijn tengere schouders zodanig dat hij ineengedoken in een stoel zit of voorovergebogen over straat wandelt: de ‘breekbare man’ gaat gebukt onder het leven.
    Een voorbeeld van zo’n ogenschijnlijk mismaakte man is Willem in de roman Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants:

Mijn kleine gestalte was ook al treurig uitgevallen. De druipschouders versterkten de indruk van zwakheid, die het aangezicht reeds maakte; mijn magere vingers en polsen waren erg knokig en ik liep met uitbuigende knieën. [5]

Niet alleen heeft de ‘breekbare man’ een teer en disharmonisch lichaam, ook is hij onevenwichtig van geest. Zo is hij bijzonder ontvankelijk voor zintuiglijke indrukken – muziek of de weersgesteldheid. Zijn gemoedstoestand wisselt tamelijk snel. Hij is het willoze slachtoffer van de verfijning van zijn zenuwen, zoals kroonprins Othomar in de roman Majesteit (1893) van Couperus:

Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. [6]

6
Hoofdpijn, koortsaanvallen en flauwtes teisteren de wankele gezondheid van de ‘breekbare man’. Daarbij spelen ook slapeloosheid, kouwelijkheid en vermoeidheid hem regelmatig parten. Deze lichamelijke ziekteverschijnselen worden voorgesteld als symptomen van een psychische kwaal of zenuwziekte. Niet zelden lijden ook familieleden van de ‘breekbare man’ aan soortgelijke stoornissen. Dit is bijvoorbeeld het geval in De boeken der kleine zielen van Couperus, waarin de gebroeders Ernst, Gerrit en Paul respectievelijk worden gekweld door krankzinnigheid, melancholie en smetvrees.
    De geestelijke verfijning van de ‘breekbare man’ wordt ook verbeeld door een kasplantmetafoor. De vergelijking van de ‘breekbare man’ met een kasplant is treffend: beide komen slechts in een beschermde omgeving tot bloei. Hiervan is sprake bij de intrigant Bertie in Noodlot (1891) van Couperus:

Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. [7]

Omdat hij niet bestand is tegen het leven, wordt de ‘breekbare man’ langzaam maar zeker te gronde gericht. Vaker nog dan een vlucht in de kunst of zijn verbeelding is de – zelfverkozen – dood voor hem de aangewezen manier om de verstikkende werkelijkheid achter zich te laten. Als hij er niet in slaagt om vat op het leven te krijgen, rest hem niets anders dan zich eigenhandig van zijn aardse kluisters te bevrijden.

7
Militairen en kunstenaars
De ‘breekbare man’ is het enige kind of de jongste zoon van ouders uit de hogere maatschappelijke kringen. Hij is een moederskindje: de persoonlijke band met zijn maatschappelijk geslaagde vader is van kinds af aan minder hecht dan de relatie met zijn nerveuze moeder.
    Van een liefderijke omgang tussen moeder en zoon is sprake in Couperus’ Majesteit. In deze zogeheten koningsroman heeft Othomar niet de heerserskracht van zijn wrede vader, maar juist de breekbare gesteldheid van zijn ziekelijke moeder overgeërfd: ‘hij was haar kind: zij had den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren.’ [8] Gezien het vroegtijdige overlijden van één van zijn ouders (meestal de vader) is de ‘breekbare man’ gewoonlijk niet de eerste van zijn geslacht bij wie de uitputting van ras haar tol eist.
    Het is niet verwonderlijk dat de ‘breekbare man’ zich ternauwernood thuis voelt in de mannelijke wereld van zaken en plichten. Hij is bang voor de beslommeringen die een baan met zich meebrengt, zoals de werkloze Willem in Een nagelaten bekentenis van Emants:

Ik was doodsbang voor de maatschappij. Meestal gaf ik me de indruk van een soort kale, donkere strafkolonie te zijn, waarin geketende misdadigers door meedogenloze opzichters met zweepslagen aan het werk worden gehouden. [9]

Of hij teert als nakomeling van een vermogend aristocratisch geslacht op het familiefortuin. In De boeken der kleine zielen van Couperus is de decadente Paul zich maar al te bewust van zijn parasiterende levenshouding: ‘Ik ben een dilettant, weet je. Mijn vaderlijk erfdeel houdt mijn bek open.’ [10]
    Als hij wél een beroep uitoefent, is de ‘breekbare man’ kunstenaar of bekleedt hij een eervolle functie als militair. Om zijn feminiene aard kan de keuze voor het bijzonder viriele beroep van officier opmerkelijk worden genoemd; blijkbaar tracht hij een schijn van mannelijkheid te bewaren. De artistieke ‘breekbare man’ daarentegen heeft weinig redenen om zijn onmannelijke natuur voor de buitenwereld te verbergen. Van een kunstenaar wordt immers verwacht dat hij sensitief is.
    De mate waarin de kunstzinnige ‘breekbare man’ zich wijdt aan de kunst, loopt uiteen. Velen zijn kunstenaars van de korte adem, zoals Lot die zich in Couperus’ Van oude menschen (1906) beperkt tot journalistiek werk en de grootste moeite ondervindt om aan een grote roman te beginnen. Anderen proberen door hun artistieke bezigheden een schijn van werkzaamheid op te houden. Een voorbeeld van zo’n indolente pseudo-kunstenaar is Vincent in Tragische levens van Reyneke van Stuwe: ‘toch bleef hij voor schilder poseeren, – omdat hij daardoor een voorwendsel had, om zich, zoo veel en zoo lang hij zou willen, te kunnen afzonderen.’ [11] Slechts een enkeling is werkelijk kunstenaar.

Op zoek naar het geluk
Uit de lotgevallen van de ‘breekbare man’ spreekt een pessimistische visie op het menselijk bestaan. De meeste schrijvers lijken dit type personage in te zetten om een ontluisterende kijk op het leven te verbeelden. In hun visie is de mens een gedetermineerd wezen, een erfelijk belast schepsel zonder vrije wil. Bovendien zijn enkele auteurs, zoals Couperus en Everts, van mening dat een hogere macht – Het Noodlot, de Al-Bestierder – de mens nog verder in zijn al niet zo ruime vrijheid beknot. De ‘breekbare man’ ervaart zijn leven als een permanente desillusie: in deze door onzichtbare krachten beheerste wereld blijft het geluk voor hem een utopie.

8
De teloorgang van de ‘breekbare man’ spreekt op niet mis te verstane wijze uit de manier waarop de meeste prozawerken een einde nemen: hij sterft of verwordt tot een gebroken man die niets meer van het bestaan heeft te verwachten. In het laatste geval biedt enkel berusting in het onontkoombare levenslot verlichting. Hiervan probeert de zwakke Vincent zijn fragiele geliefde Carla in de roman Tragische levens van Reyneke van Stuwe tevergeefs te overtuigen:

Hoe langer je leeft, hoe gelatener en geresigneerder je wordt, en hoe minder je van de toekomst verwacht… Heusch, ’t dient nergens toe, je te verzetten, ’t maakt je alleen nòg ongelukkiger… Als je je leven niet weg-werpen wil, verdraag ’t dan, en berust… Zie naar mij… doe zooals ik… [12]

Maar ook een gezonde dosis cynisme kan de levenspijn enigszins verzachten. Zo probeert Aad in Uit het leven van een hypochonder (1907) van Everts zijn talrijke desillusies keer op keer te relativeren: ‘stel je voor: Altijd geluk! ’t Zou geen geluk meer heten.’ [13] Toch is Aad niet bij machte zich te ontworstelen aan de neerwaartse spiraal waarin zijn leven zich beweegt.

Temperamentenleer
De ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ zijn producten van een verzameling denkbeelden die in veel opzichten karakteristiek zijn voor het fin de siècle. De beschrijving van beide typen is voor een belangrijk deel schatplichtig aan al dan niet wetenschappelijk omklede ideologieën omtrent mannelijkheid en vrouwelijkheid, degeneratie en temperamentenleer.
    In de temperamentenleer [14] wordt de mensheid op basis van lichaamsvochten in vier categorieën – temperamenten – verdeeld. Aan de basis van elk van deze temperamenten zou telkens één bepaalde dominante fysiologische eigenschap staan. Zo heeft het sanguinische temperament een sterk ontwikkeld bloedvatenstelsel, het nerveuze een overgevoelig zenuwstelsel, het cholerische een overvloedige galproductie en het flegmatische – of lymfatische – een zwakke weefselstructuur. Deze fysiologische eigenschappen vormen de voedingsbodem voor een omvangrijke reeks lichamelijke en psychologische eigenschappen.
    In het verhalend proza van het fin de siècle zijn het sanguinische en nerveuze temperament het ruimst vertegenwoordigd. Frequent vormen zij binnen één en hetzelfde verhaal elkaars tegenpolen. Een sanguinisch temperament heeft een rode gelaatskleur, blauwe ogen en een fors postuur. Hij wordt gekenmerkt door een goede gezondheid, een oppervlakkig gevoelsleven en een materialistische en zinnelijke instelling. Een literair voorbeeld van een sanguinisch temperament is de vitale ex-officier Aldo in Couperus’ Aan den weg der vreugde (1908).
    Een nerveus temperament daarentegen heeft een bleke huidskleur, blond haar en een tenger lichaam. Hij is fijngevoelig, onderhevig aan stemmingen en vatbaar voor zenuwaandoeningen, maar uitermate intelligent en artistiek begaafd. Een voorbeeld van een nerveus temperament is de zwakke Marietje in De boeken der kleine zielen van Couperus:

In de beweging der lange armen, der lange magere handen was als een loome kwijning van anaemie en de blouse droop plooiende neêr om de borst, die zich niet rondde. Zes-en-twintig, leek zij jonger, was er in haar fletsche oogen een onschuld

9

aan alle passie, als een onmacht om ooit vrouw te worden, of de zinnen in haar verlelie-den met al stervingen in der stengelen buigingen. [15]

Men was van mening dat het sanguinische temperament vooral onder mannen en het nerveuze temperament vooral onder vrouwen zou zijn te vinden. Maar deze veronderstelling gaat niet op voor de ‘breekbare man’, die onmiskenbaar een nerveus temperament heeft. Hij vertoont opmerkelijk veel lichamelijke en psychologische kenmerken die gewoonlijk worden toegedicht aan de van oorsprong nerveuze vrouw. In het geval van de ‘breekbare man’ is er klaarblijkelijk iets niet helemaal in de haak: hij is een vervrouwelijkte man.

Degeneratie
In de tweede helft van de negentiende eeuw verschenen vooral in Franse medische kringen talloze publicaties over erfelijkheid. Deze min of meer wetenschappelijke geschriften gingen ervan uit dat de mens volledig bepaald wordt door factoren als erfelijkheid en milieu, waarbij de invloed van de erfelijkheid duidelijk het meeste gewicht in de schaal legt. Veel erfelijkheidsdeskundigen waren van mening dat alle mogelijke eigenschappen en ziekten in principe overdraagbaar zijn. De Franse bioloog Lamarck beweerde zelfs dat aangeleerde eigenschappen langs erfelijke weg op het nageslacht worden overgebracht.
    Dergelijke ideeën over erfelijkheid laten zich zien in de uitbeelding van de ‘breekbare man’. Vooral de directe – kruislingse – erfelijkheid speelt bij dit type een rol van betekenis: als evenbeeld van zijn zwakke moeder zijn het doorgaans háár weinig begerenswaardige eigenschappen die hij overerft. Soms echter zijn de wortels van het kwaad eerder tot ontwikkeling gekomen, zoals in Een nagelaten bekentenis van Emants waarin Willem moet boeten voor de daden van zijn lichtzinnige voorouders:

Ik weet niet hoeveel voorouders uitsluitend voor hun egoïst plezier moeten geleefd hebben, opdat een wezen als ik het levenslicht zou kunnen aanschouwen; maar wel weet ik, dat zij in alle gevalle beter hadden gedaan de soort niet lang genoeg voort te planten om er eindelijk een schepsel uit te laten voortkomen, dat zijn onuitroeibare ellendigheid zou beseffen en daardoor boeten voor allen te zamen. [16]

Als laatste telg van een eens roemrijk maar nu uitgeput geslacht is Willem ten prooi gevallen aan het met erfelijkheid verbonden verschijnsel degeneratie. Hieronder verstaan velen het in fysiologisch en psychologisch opzicht verarmen van een bepaald geslacht door een gebrek aan nieuw erfelijk materiaal. De Franse arts Morel daarentegen was van mening dat degeneratie wordt veroorzaakt door het tekortschieten van het erfelijke transmissiesysteem waardoor geestelijke afwijkingen niet onveranderd maar versterkt worden doorgegeven. Hoewel het degeneratieverschijnsel al veel eerder in de belangstelling van de medische wetenschap stond, werd het vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw in toenemende mate negatief geïnterpreteerd.
    Aan de hand van een lange lijst van fysiologische en psychologische kenmerken werd verondersteld te kunnen bepalen of iemand gedegenereerd was. Omdat tussen bepaalde fysiologische afwijkingen en abnormaliteiten in het functioneren van de hersenen een verband werd gelegd, was het mogelijk een oneindige reeks verschijnselen aan het rijtje van degeneratiekenmerken toe te voegen. Voorbeelden zijn: achterlijkheid, alcoholisme, zwaarmoedigheid, homoseksualiteit en de neiging tot suïcide.
    Nederlandse prozaschrijvers beelden het degeneratieverschijnsel vanaf de jaren negentig in al zijn facetten uit. Zo is Joop in Pijpelijntjes (1904) van Jacob Israël de Haan

10
overmatig zinnelijk, Siria in Argwaan (1892) van Emants melancholisch, Johan in Van de koele meren des doods (1900) van Van Eeden suïcidaal en heeft Helegabalus in De berg van licht (1906) van Couperus een afwijkende seksuele geaardheid. Het zijn vooral de vrouwelijke eigenschappen van de ‘breekbare man’ – ijdelheid, emotionaliteit, nervositeit en ziekelijkheid – die in de richting van degeneratie wijzen. Niet zelden wordt hij zelfs expliciet vergeleken met een vrouw, zoals de gedegenereerde keizer Helegabalus in De berg van licht van Couperus:

Week als een vrouw; blij-vrolijk als een kind; mystiek-helder als een priester des Lichts – zoo zoû hij altijd blijven; onbewust artistiek en veelvuldig in zijne ziel, die niet anders was dan de uiterste bloem eener ùitbloeiende overbeschaving. [17]

Doorgaans is de ‘breekbare man’ zich bewust van zijn vervrouwelijkte natuur en veroordeelt hij zijn gebrek aan mannelijkheid: het is ‘laakbaar, verwijfd, voor een man, er zoo uit te zien’ [18], aldus Vincent in Tragische levens van Reyneke van Stuwe.
    Toch zijn er voor de ‘breekbare man’ ook positieve kanten verbonden aan degeneratie. Omdat zijn geestelijke vermogens niet evenredig tot ontwikkeling zijn gekomen, is bij hem één bepaald talent zo sterk ontwikkeld dat het alle andere persoonlijke kwaliteiten overheerst. Zo is hij intelligenter, verfijnder en artistieker dan de ‘normale’ mens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de ‘breekbare man’ zich tegenover zijn medemens maar moeilijk een houding weet te geven. Enerzijds voelt hij zich door zijn ziekelijkheid en krachteloosheid een inferieur schepsel, anderzijds weet hij zich door zijn verstandelijke vermogens, fijngevoeligheid en artisticiteit juist een superieur soort mens. Voorbeelden van ambivalente ‘breekbare mannen’ vinden we gewoonlijk onder kunstenaarspersonages.

De kunstenaar: een ‘dégénéré superieur’
Aan het einde van de negentiende eeuw bestaat er een tweeledig beeld van de kunstenaar. [19] Aan de ene kant wordt hij – vrouwelijke kunstenaars worden als een ontaarde zeldzaamheid beschouwd – gezien als iemand met bijzondere gaven. Deze onderscheiden hem van de ‘normale’ mens: hij is een ‘dégénéré superieur’. Dit betekent een opwaardering van het verschijnsel degeneratie. Aan de andere kant wordt de kunstenaar voorgesteld als een psychisch gestoord of zelfs misdadig individu. Een illustratie van deze opvatting vinden we in de populaire studie Entartung (1892) van de Duitse arts Nordau. Hierin wordt de gehele kunst van het fin de siècle als ontaard verketterd.
    Veel verhalende teksten van het fin de siècle confronteren de lezer met kunstenaars. In de uitbeelding van deze personages komt de ambivalente visie op het kunstenaarschap duidelijk naar voren. De talentrijke kunstschilder Johan in Van de koele meren des doods van Van Eeden bijvoorbeeld wordt in een weekblad geprezen als een groot kunstenaar:

Hij werd genoemd als het nieuwe genie, te hoog om door de menigte gekend te worden, de grote vizionair, begaafd met zienerskracht van hoger herkomst, wiens licht zou overschijnen het licht van profeten uit alle landen en tijden. [20]

Maar de stap van genialiteit naar krankzinnigheid is klein: in de ogen van zijn jeugdvriendin Hedwig is het duidelijk ‘dat het evenwicht van dezen geest verstoord
was’. [21] In Een nagelaten bekentenis van Emants wordt het vermeende kunstenaarschap van Willem eveneens in verband gebracht met abnormaal gedrag en geestesziekte:

11

Al dikwijls had ik me afgevraagd, of de vele abnormaliteiten, waarvan ik me bewust was, niet het kenmerk konden zijn van een artistieke natuur. De tijden, waarin kunstenaars de gezondste, de eenvoudigste, de krachtigste, de verstandigste, de edelste kinderen waren van een volk en een tijd, zijn – indien ze ooit bestaan hebben – voorbij. Tegenwoordig is iedere artiest min of meer ziek, erg gecompliceerd, neurasthenisch, in sommige opzichten ontoerekenbaar, in andere pervers. [22]

Dit pathologische beeld van de kunstenaar zien we in veel literaire representaties terugkeren: hij is een uitzonderlijk maar tegelijkertijd ziek en misdadig mens.

Twee zwakken
Bleek, tenger, ziekelijk en nerveus: de ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ kunnen probleemloos als broer en zuster door het leven. Beiden zijn de laatste telgen van een familie uit de hogere maatschappelijke kringen, emotioneel en artistiek begaafd, of minstens gevoelig voor kunst. Het ware kunstenaarschap echter is voorbehouden aan de ‘breekbare man’: de fragiele vrouw ontbeert de broodnodige creativiteit en energie om haar schoonheidsgevoel te uiten. Als zij wél voldoende talent heeft om grootse kunst te vervaardigen, wordt ze meestal afgeschilderd als een ontaarde vrouw. Voorbeelden hiervan zijn de schilderes Felicia Beveridge in de gelijknamige roman (1895) van Vosmeer de Spie en de dichteres Tilia in Eene illuzie (1892) van Couperus.
    Bij de ‘femme fragile’ treedt een verschijnsel als degeneratie minder sterk op de voorgrond dan in het geval van de ‘breekbare man’ en de ‘femme fatale’, de zinnelijke tegenspeelster van de fragiele vrouw. De fatale vrouw doet met haar erotische uitstraling een beroep op de lagere lusten van de man en probeert hem zo in haar netten te verstrikken. Die onverhulde sensualiteit wordt haar kwalijk genomen; zinnelijkheid wordt gezien als een typisch mannelijke wezenstrek. Zoals de ‘femme fatale’ niet voldoet aan het beeld van dé vrouw, beantwoordt de ‘breekbare man’ niet aan dat van dé man: beiden zijn ontaarde wezens.
    Tegenover het illustere duo van de ‘femme fragile’ en de ‘femme fatale’ staat het al even opmerkelijke koppel van de vergeestelijkte ‘breekbare man’ en de zinnelijke fatale man. [23]Gewoonlijk strijden zij om de liefde van één en dezelfde vrouw. Voorbeelden van zo’n contrasterend tweetal mannen vinden we in Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) van Couperus (Duco en Rudolf), Tragische levens van Reyneke van Stuwe (Vincent en Frans) en Vlindertje van Borel (Pim en Maurice). Met uitzondering van de typisch mannelijke eigenschap zinnelijkheid, fungeren deze koppels op vergelijkbare wijze als de vrouwelijke paren: de ‘breekbare man’ en de ‘femme fatale’ zijn pathologische gevallen, de ‘femme fragile’ en de fatale man uitvergrotingen van respectievelijk dé vrouw en dé man.

12
Op verhaaltechnisch niveau onderscheiden de ‘breekbare man’ en de ‘femme fragile’ zich ook van elkaar. Terwijl de ‘breekbare man’ psychologisch uitvoerig wordt getekend en doorgaans de belangrijkste verhaalprotagonist – en soms zelfs ik-verteller – is, wordt de fragiele vrouw slechts van buitenaf getekend. Voor haar is in geen enkel literair werk van het fin de siècle een rol als verteller weggelegd.
    Interessant is dat het type van de ‘breekbare man’ ook in de buitenlandse literatuur van het fin de siècle kan worden waargenomen. Voorbeelden zijn Dorian Gray in de roman The picture of Dorian Gray (1891) van Oscar Wilde, Andrej Wasilitsj Kowrin in het verhaal ‘De zwarte monnik’ (1894) van Anton Tsjechow en de would-be-kunstenaar Detlev Spinell in de novelle Tristan (1903) van Thomas Mann.
    In Tristan neemt Mann enkele topoi uit de fin de siècle-literatuur subtiel op de hak. Dat hij behalve het type van de ‘femme fragile’ en haar zinnelijke echtgenoot de ‘breekbare man’ parodieert, bewijst dat Mann, net als veel Nederlandse auteurs in deze periode, dit personage rekende tot de vaste ingrediënten van de literatuur van zijn tijd.

Noten
1. Louis Couperus, De boeken der kleine zielen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 20, p.104.
2. Beschrijvingen van het type van de ‘femme fragile’ in het Nederlandse verhalend proza van het fin de siècle: M.G. Kemperink, ‘Een beeld van een vrouw. Het type van de “femme fragile” als bijdrage tot de beschrijving van het Nederlandse verhalend proza (1890-1910).’ In: De Nieuwe taalgids 85 (1992), nr.6 (nov.), p.479-494; H.van Dijk, ‘In het liefdeleven ligt gansch het leven.’ Het beeld van de vrouw in het Nederlands realistisch proza, 1885-1930. Proefschrift Groningen, 2001.
3. H. Borel. Vlindertje. Een Haagsche roman. Amsterdam, 1901, p.6.
4. Idem, p.18.
5. M. Emants, Een nagelaten bekentenis. Amsterdam, 1918, p.44.
6. Louis Couperus, Majesteit. Volledige Werken Louis Couperus, deel 7, p.53.
7. Louis Couperus, Noodlot. Volledige Werken Louis Couperus, deel 4, p.36.
8. Louis Couperus, Majesteit. Volledige Werken Louis Couperus, deel 7, p.185.
9. M. Emants. Een nagelaten bekentenis. Amsterdam, 1918, p.34.
10. Louis Couperus, De boeken der kleine zielen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 19, p.94.
11. J. Reyneke van Stuwe, Tragische levens. Oorspronkelijke roman. ’s-Gravenhage, 1901, deel II, p.123.
12. Idem, p.5.
13. J. Everts, Uit het leven van een hypochonder. Bussum, 1907, p.176.
14. M.B. van Buuren, Literatuur en temperament. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de moderne letterkunde, in het bijzonder de Franse, aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op donderdag 12 oktober 1989; M.G. Kemperink, ‘Couperus en de temperamentenleer’. In: Literatuur 9 (1992), nr. 1 (jan/feb.), p.2-7.
15. Louis Couperus, De boeken der kleine zielen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 20, p.337.
16. M. Emants, Een nagelaten bekentenis. Amsterdam, 1918, p.115.
17. Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.80.
18. J. Reyneke van Stuwe, Tragische levens, Oorspronkelijke roman. ’s-Gravenhage, 1901, deel II, p.129.
19. M.G. Kemperink, ‘Medische theorieën in de Nederlandse naturalistische roman.’ In: De Negentiende Eeuw 17 (1993), nr.3 (aug.), p.135-136.
20. F.van Eeden, Van de koele meren des doods. Amsterdam, 1982, p.131.
21. Idem, p.116.
22. M. Emants, Een nagelaten bekentenis. Amsterdam, 1918, p.74-75.
23. M.Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle. Amsterdam, 2001, p.192-193.

(Uit: Arabesken 11 (2003), nr.21, p.4-12.)