Een vraaggesprek met Helga Ruebsamen
De stem van het boek

Toen auteur Helga Ruebsamen (1934) werd gevraagd om zitting te nemen in het actiecomité tot behoud van het Couperus-huis twijfelde ze geen moment. Als kind dat was opgegroeid in het kleurige en geurige Nederlands-Indië moest zij na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, toen zij verhuisde naar Den Haag, erg wennen aan de grauwheid en somberheid van haar nieuwe woonplaats. Maar langzamerhand leerde zij de geheel eigen schoonheid van de stad te zien. Dankzij het werk van Louis Couperus.

DOOR 

‘Als meisje van een jaar of twaalf, dertien, las ik Eline Vere. Het boek stond bij ons in de kast, mijn ouders waren beiden fervente lezers. De roman maakte een onuitwisbare indruk op mij. Ik kon er niet genoeg van krijgen, maar mijn fascinatie kwam niet in de eerste plaats door de inhoud van het boek, maar door de muziek van de taal.’
    ‘Vanaf mijn prilste tijd heb ik om mij heen verschillende talen gehoord. Mijn vader sprak Duits, mijn moeder drukte zich al naar gelang uit in het Nederlands, Frans en Engels – Duits liet zij al voor de Tweede Wereldoorlog links liggen! En dan waren er natuurlijk nog de vele wonderbaarlijke talen van de mensen van het land waar ik opgroeide: Hoog-Soendanees, Laag-Soendanees, Midden-Soendanees, het pasar-maleis – dat later de basis zou vormen voor het Bahasa Indonesia –, om er een paar te noemen die alleen al in mijn omgeving dagelijks werden gebruikt. Vandaar dat ik gevoelig ben geworden voor de muziek die een taal ook is, behalve een code waarin men mededelingen overbrengt aan elkaar. Als kind kon ik al veel afleiden – en dat lukt me nog wel! – uit de muziek van een taal, zonder dat ik de code ook maar enigszins kende.’

Muzikale kwaliteit
‘In de boekenkast van mijn ouders stonden boeken in verschillende talen en ik “las” die boeken op mijn manier, van alles door elkaar. “Dat boek begrijp jij nog niet,” werd nooit tegen me gezegd en áls het al eens werd gezegd, door een bemoeizuchtige tante of zo, dan was het aan mij toch niet besteed. Want ik hoefde een boek niet te begrijpen, ik had de verhalen die mijn baboe me vertelde, lang geleden, over goden en demonen en geesten, ook nooit begrepen, maar ik had er gretig naar geluisterd en genoten van haar stem, die heel licht en heel donker kon worden. Zó wilde ik ook boeken beleven, zich in mijn hoofd laten afspelen, zoals je ook kunt luisteren naar een stem, of stemmen, of

33
naar muziek, zonder dat je de betekenis hoeft te begrijpen van het verhaal dat door de klanken, of door woorden, wordt gedragen…’
    ‘Dit is altijd zo gebleven. In alle boeken die mij lief zijn gaat het mij niet om het verhaal, maar in de eerste plaats om de muziek; de stijl, de vorm waarin de inhoud is gevat, zo zou je het kunnen omschrijven, maar dan laat je een raadselachtige component onbenoemd, waarvoor ik ook niets anders weet dan het maar “de stem van het boek” of “de muziek” ervan te noemen.’
    ‘Wie nu beweert dat het werk van Couperus is verouderd, miskent onder andere die hoogst muzikale kwaliteit ervan. Mensen verouderen, maar kunstwerken niet. Het is wel interessant dat men over veroudering van het werk hoort spreken waar het schrijvers betreft, althans hier in Nederland, terwijl men het niet in zijn hoofd zou halen hetzelfde te beweren van bijvoorbeeld schilders en componisten. Rembrandt verouderd? Van Gogh achterhaald? Chopin, Schubert, Mendelssohn bij het oud roest?

De bekoring van het introverte
‘Ik vind het prettig te luisteren naar een stem uit een andere tijd, wat dus het geval is als ik Couperus lees. Wat mij bijzonder trof in Eline Vere, de eerste keer, en zeker nog sterker bij latere, herhaalde herlezingen, was die merkwaardig zachte, zangerige taal, in een parlando dat als het ware voor zich uit klonk en er niet speciaal luidkeels om vroeg gehoord te worden. Je ving het terloops op. Het was alsof je op straat liep, op een warme

34
avond, en uit een raam een muziekstuk hoorde komen voor piano en viool. En op de muziek kwamen de dingen die gezegd moesten worden vanzelf wel mee, of desnoods dan maar niet, maar dan bleef er toch nog altijd de schoonheid van de klanken.’
    ‘Of ik dus ten tijde van vroege lezing van het werk van Couperus alles tot in de fijne puntjes ook volledig begreep… Dat is de vraag. Wel opende het langzaamaan mijn ogen, onder meer ook voor een vorm van schoonheid buiten de tekst die ik niet eerder had kunnen zien, omdat ik als “Indisch” kind alles in Holland somber, hard, grauw en koud vond. Den Haag, waar wij waren terechtgekomen, was in mijn ogen een kerkhof waar bleke mensen roerloos achter hun vitrages in feite al vertoefden in het schimmenrijk en wachtten op de Dag des Oordeels. Dankzij mijn kennismaking met het werk van Couperus begreep ik dat dit genuanceerder lag en dat ik mij niet mocht afsluiten voor een sfeer die anders was dan ik was gewend. Er heerste leven in Den Haag, maar men moest het leren zien. Het liet zich echter niet gemakkelijk kennen, want het was allerminst bont lawaaiig en vrolijk, maar het had zijn eigen schoonheid, de bekoring van het introverte, van schuchterheid, schemering en fluistering.’

Onverschillig en onbehouwen
‘Couperus is een leermeester voor mij geweest, in die zin dat hij mij dingen leerde die thuis en op school werden overgeslagen of waarover werd gezwegen. Hij schetste een wereld die ik niet kende, maar waarvan ik beslist wilde geloven dat die zo bestond als hij beschreef.’
    ‘Als ik het nu maar eens simpel hou, en bijna alle manieren waarop liefde zich kenbaar kan maken terzijde schuif en mij beperk tot de simpele liefde voor een stad, een leefomgeving, dan mag ik oprecht beweren dat het beetje liefde dat ik nog voel voor Den Haag mij meer dan een halve eeuw geleden door Couperus is ingegeven. En in Den Haag wordt er hard aan gewerkt ook dát nog te laten verdwijnen, zo onverschillig en onbehouwen als er vaak wordt omgesprongen met de subtiele, ingetogen schoonheid van wat uniek Haags is... of in vele gevallen wás. Ik heb wel eens geschreven, bij weer een nieuw ondernemend plan om van Den Haag een wereldstad te maken, dat men zijn best doet om van een verlegen freule een Xaviera Hollander of een Nina Brink te maken. Deze dames verder niet te na gesproken, maar zij zijn nu juist geen rolmodel voor dat bleke, elegante, geheimzinnige en lichtschuwe Den Haag.’
    ‘Dat ik lid ben geworden van het actiecomité voor behoud van Couperus’ woonhuis in de Surinamestraat heeft hiermee alles te maken. Ik zou zo graag willen dat er iets bewaard blijft van die specifieke, bijna in zichzelf gekeerde schoonheid die ook karakteristiek is voor Den Haag en die het best wordt uitgedrukt door de omgeving waarin de verhalen van Couperus spelen. En dan gaat het niet eens alleen maar om zijn Haagse verhalen. Het leven dat hij leidde in Den Haag had ook zijn weerslag in zijn andere werk.’
    ‘In de tijd van Couperus was “de buurt van Eline Vere” trouwens een nieuwe buurt, die hij beschreef met aandacht. Zijn hart moet er naar zijn uitgegaan.’

Dit is het tiende deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk.

(Uit: Arabesken 15 (2007), nr.30, p.32-34.)