Ziekte en zelfmoord in Madame Bovary, Anna Karenina en Eline Vere
‘Het zijn de zenuwen…’

Madame Bovary (Gustave Flaubert, 1857) en Anna Karenina (Lev Tolstoj, 1879) kunnen met recht zusters van Couperus’ Eline Vere (1887) genoemd worden. Drie vrouwen die proberen uit te stijgen boven hun eigen, in hun ogen mislukte, werkelijkheid, maar uiteindelijk geen andere uitweg vinden dan de dood. Hoe gaan ze ten onder in het negentiende-eeuwse milieu waarin ze leven, en waardoor wordt deze ondergang veroorzaakt? Deze vragen kunnen vanuit verschillende invalshoeken beantwoord worden. In dit artikel wordt ingegaan op de medisch-biologische kant: het stempel van zwakte en ziekelijkheid dat de negentiende-eeuwse vrouw kreeg opgedrukt, iets wat we terugzien bij Anna, Emma en Eline. [1]

DOOR

In de late negentiende eeuw werd een aparte vrouwenpathologie ontwikkeld. Door middel van verschillende modellen probeerde men het beeld dat er van de vrouw bestond, namelijk als van nature zwak, ook wetenschappelijk te onderbouwen: [2]  ‘het vrouwelijke’ moest biologisch verklaard worden.
    Eén van deze modellen was het gynaecologische model, gebruikt om psychische ziekten als hysterie – afgeleid van het Griekse woord voor baarmoeder – te duiden. De baarmoeder werd gezien als een orgaan dat, zoekend naar vocht en levensruimte, door het lichaam van de vrouw woedde. Een belemmering in dit proces, of een verstoring in een ander vrouwelijk geslachtsorgaan, zou de oorzaak zijn van een psychische aandoening: via het zenuwstelsel werd de stoornis naar de hersenen overgebracht. Logischerwijs probeerde men deze ziekten te genezen door middel van gynaecologische ingrepen. Verwijdering van de eierstokken of baarmoeder zonder dat er sprake was van lichamelijke klachten op dat gebied, kwam dan ook geregeld voor. [3]
   
Het gynaecologische model maakte rond 1890 plaats voor het neurologische model. De oorzaak van geestelijke klachten werd niet meer zozeer gezocht in verstoringen in de onderbuik, als wel in functionele stoornissen van het zenuwstelsel. Termen als neurose, neurasthenie en nervositeit passeerden de revue. [4]

Ziekten van de onderbuik, ziekten van de geest
Ziekten die door middel van het gynaecologische model dan wel met het neurologische model werden verklaard, waren talrijk en dus ‘typisch vrouwelijk’. Hysterie bijvoorbeeld, gekenmerkt door dramatische gevoelsuitingen. [5] Of chlorose (bleekzucht), een vrouwenziekte waarvan de symptomen vooral gekoppeld werden aan de jonge vrouw. [6] Ook in neurasthenie werden verschillende, tot dan toe onduidelijke en vage symptomen samengebracht. [7]
    Het aantal vrouwen met psychische klachten nam in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk toe. Tussen 1870 en 1880 werd bij meer dan vijftig procent van de vrouwelijke krankzinnigheidsgevallen de diagnose manie (razernij) of melancholie  

5
(zwaarmoedigheid) vastgesteld. [8] Dit fenomeen werd beschreven in allerlei literatuur over zenuw- of zielsziekten. [9] Door de toename van ziektegevallen en de ontwikkelingen in de vrouwenpathologie kwamen er allerlei soorten medicatie en behandelingen op de markt. Deze zouden een oplossing kunnen bieden aan ‘het vrouwenprobleem’. Er was geen eenduidige behandeling, wat uiteraard ook te maken had met de veronderstelde oorzaak van de ziekte. Naast ingrijpende middelen als het operatief verwijderen van vrouwelijke geslachtsorganen, werden ook wel zenuwsterkende preparaten [10] of wisselbaden [11] voorgeschreven. Aderlaten werd gezien als effectief middel om balans te brengen in het onrustige lichaam van de vrouw. Een reis maken naar een zeebadplaats, om de dagelijkse beslommeringen achter zich te laten, was ook een veelgegeven advies. [12]
    In de tijd van Anna, Emma en Eline werd er dus een logisch verband gelegd tussen sekse en geest, en was het niet ongewoon dat een vrouw in een staat van krankzinnigheid kon vervallen. Ze was er immers vatbaar voor. Daarnaast konden verschillende andere factoren dit ziekteproces versnellen of stimuleren, zoals veel binnen zitten in combinatie met te weinig bewegen en te veel studeren. Onderwijs en studie werd, in het verlengde hiervan, dan ook sterk afgeraden aan meisjes en vrouwen. Een lichtzinnig leven vol dansplezier, genot, romanlectuur en erotische fantasieën bleek tevens funest voor hun gezondheid. Ook zag

6
men in de ziekten een reactie op de geest van de tijd. De gevoelige mens uit de hogere kringen voelde zich in de heersende moderne en gejaagde cultuur en in de zich zo snel ontwikkelende maatschappij niet thuis. Deze kwetsbaarheid werd bevestigd door ziek te worden.

Erfelijkheid en degeneratie
Een nog niet genoemd maar essentieel aspect in de kijk op ziekte in de late negentiende eeuw was de rol van erfelijkheid en de daaruit voortkomende degeneratie. Nieuwe erfelijkheidstheorieën werden in deze periode uitgewerkt en ziekten van de geest werden in toenemende mate verklaard vanuit erfelijk perspectief. Erfelijkheid werd steeds meer gezien als de doorslaggevende oorzaak van een ziekteverschijnsel, [13] waarbij omgevingsfactoren vervolgens invloed konden hebben op het ziekteproces. [14] Zo kon opvoeding ertoe bijdragen dat zenuwzwakte of nervositeit wel of niet aan de oppervlakte zou komen. Een verstandige opvoeding was een opvoeding waarin het meisje voorbereid werd op het huisvrouw- en moederschap. Haar dagen mochten niet gevuld zijn met feesten en partijen, te grote herseninspanning of het lezen van romans. Deze zouden alleen maar verwachtingen van het leven scheppen die niet uit zouden komen:

Hysterie is bijna altijd een gevolg van erfelijkheid. Een slechte opvoeding, het stadsleven, nachtwaken, geslachtelijke en andere uitspattingen, een leven zonder afwisseling, zijn meestal de bijkomende opwekkende oorzaken op moreel gebied. [15]

Dit ziekelijke en zwakke zien we terug in de romanpersonages Eline, Anna en Emma. Alle drie wentelen ze zich, op hun eigen manier, in een zwakke rol waarin ze zich afhankelijk weten van een man, medicijnen of een bepaalde levensinvulling. Als we zoeken naar bewijsplaatsen van die kwetsbaarheid in het leven van de vrouwen in de drie romans, dan kunnen talloze citaten aangehaald worden. Daarom volgt hier een korte impressie van de ziekelijke Emma, de hysterische Anna en de zwakke Eline.

7
Zwakke Eline
Eline Vere is een ‘femme fragile’, een jonge Haagse aristocrate met een zwak gestel en een gevoelige aard, die zich onbegrepen voelt door de mensen om zich heen. Haar zwakheid manifesteert zich al tijdens één van de eerste scènes in de roman. Zij is nog niet eens zelf ten tonele opgevoerd, of de lezer krijgt al een beeld van Eline bij monde van zus Betsy:

– Ach, ik weet niet, ze was zenuwachtig, geloof ik.
– Ze moet heusch niet zoo toegeven aan die buien. Met een beetje energie kom je die nervoziteit wel te boven.
– U weet het, tante, het is de ziekte van het jongere geslacht! zeide Betsy, met iets als een treurigen glimlach. [16]

Iets wat men nu depressie zou noemen, voert de boventoon in Elines leven, dat gekenmerkt wordt door somberheid, onverschilligheid en een constante moeheid. [17]

Intusschen dwarrelden hare gedachten verstrooid heen en weêr, en diep in haar ziel bleef eene somberheid liggen, als een zwarte modder op den grond van een meer, schijnbaar onbewogen en blauw. [18]

Deze gevoelens probeert ze op een vaak hysterische wijze te verbloemen, zich opschroevend ‘tot eene coquette vroolijkheid’, [19] waardoor haar omgeving haar als onecht en theatraal omschrijft. Eline weet zich steeds minder te handhaven in het dagelijks leven en roept verschillende artsen in consult. De Haagse dokter Reijer schrijft haar onder meer ‘kinadroppelen’ [20] voor, en een arts in het buitenland geeft Eline ‘morfinedroppels’. [21] Zij ziet deze dagelijkse druppels als redmiddel en raakt eraan verslaafd.

(…) Maar zij nam haar druppels in: eene doffe slaap viel ten laatste als een mantel van lood op haar neêr. [22]

De gedachte aan de dood dringt zich regelmatig aan Eline op, het leven krijgt voor haar steeds minder zin.

Voor de honderdste maal in haar leven vroeg Eline zich af, waarom zij leven moest, indien zij niet gelukkig kon worden! [23]

Ziekelijke Emma
Emma Bovary is ongelukkig en verveeld in haar huwelijk met plattelandsdokter Charles Bovary. Terwijl ze droomt van romantiek, vallen de saaiheid en grauwheid van het werkelijke bestaan haar tegen. Ze zoekt haar toevlucht onder meer in het lezen van romans en het kopen van extravagante kleding en spullen, maar ook positioneert ze zich als zwakke echtgenote ten opzichte van Charles. Hij behandelt haar op zijn beurt dan ook als een ziekelijk iemand:

Zij werd bleek en kreeg hartkloppingen. Charles schreef haar valeriaan voor en kamferbaden. Maar alles wat men probeerde leek haar nog meer te prikkelen. Zij kon soms in een koortsachtige spraakzaamheid vervallen; op die opwinding volgde dan plotseling een toestand van verdoving, waarin zij niets zei, niets deed. [24]

8
Emma wordt prikkelbaar, onverschillig en, het meest in het oog lopend, onberekenbaar: de ene handeling spreekt de andere tegen. Huidige medici zouden dit als kenmerkend voor manische depressiviteit beschouwen. Het ene moment is ze vrolijk en vol levenslust, het andere moment zakt ze weg in grote lusteloosheid en verdriet. Net als bij Eline worden Emma’s ‘buien’ vaak toegeschreven aan zenuwen.

‘Het heeft niets te betekenen,’ zei zij. ‘Het zijn zenuwen.’ [25]

In wanhoop, wanneer haar minnaar Rodolphe vertrekt zonder haar mee te nemen, zit Emma in het zolderraam. Een eind maken aan haar leven lijkt even een reële optie:

Zij keek om zich heen, wensend dat de aarde zou vergaan. Waarom er geen eind aan maken? Wie zou haar weerhouden? Zij kon doen wat zij wilde. Zij kwam naar voren, keek neer op de straatstenen en mompelde, ‘Toe dan, toe dan!’ [26]

Ze laat zich er dan echter van weerhouden door Charles, die haar plotseling ziet zitten en haar terug roept.

Hysterische Anna
Anna weet zich, als enige van de drie vrouwen, tot ver in het verhaal te beheersen. De Russische prinses heeft haar man en zoontje verlaten voor de liefde van graaf Wronski, waarmee ze zich de afwijzing van haar omgeving op de hals heeft gehaald. Ondanks deze penibele situatie behoudt ze een zelfverzekerde houding. Pas als Anna de indruk krijgt dat Wronski haar steeds minder liefheeft, verliest ze zich in nervositeit en soms zelfs in hysterie. De onmacht om grip te houden op haar leven maakt dat ze hoe langer hoe meer in een roes leeft.

Het is niets, het is niets! zei zij. Ik weet zelf niet wat ik heb. Of het dit eenzame leven is of mijn zenuwen… [27]

Anna gebruikt opium bij wijze van gewoonte. Toch is dit gebruik voor haar aanleiding om de dood dichterbij te halen:

Toen zij de gewone dosis opium inschonk en bedacht, dat zij slechts het hele flesje behoefde leeg te drinken om te sterven, leek haar dit zo gemakkelijk en eenvoudig (…). [28]

Radicale bevrijding: zelfmoord
Uit de studies naar vrouwenpathologie in de negentiende eeuw wordt duidelijk dat het centrum van de ziekelijkheid in de vrouwelijke sekse zelf werd gesitueerd. [29] De ziekelijke, psychisch zwakke vrouw kan gezien worden als een rol die de vrouw toebedeeld kreeg door de samenleving, waarnaar ze zich dus ook ging gedragen. De manier waarop er naar de vrouw gekeken werd, werd door de vrouw zelf verinnerlijkt. Daarbij werd de negentiende-eeuwse vrouw uit de hogere milieus heen en weer geslingerd tussen het vervullen van haar roeping als vrouw, echtgenote en moeder enerzijds, een roeping die de maatschappij haar oplegde, en het volgen van haar eigen verlangens anderzijds.
    Er waren vrouwen die zich neerlegden bij de onoplosbaarheid van dit dilemma. Zij wierpen zich op een leven zoals de samenleving van hen verwachtte: dat van een

9
huisvrouw die zich stort op mooi uiterlijk vertoon. Zij schikten zich in hun positie van zwakke vrouw ten opzichte van de sterkere man en omgeving. Voldoen aan dit beeld kon zo een strategie zijn om levensruimte voor zichzelf te creëren. [30] Anderen zochten juist hun uitweg in het ziek-zijn. Ze voelden zich opgesloten in een rol die gekenmerkt werd door passiviteit. Onbenoembare gevoelens van leegte, verveling en gebrek aan een levensdoel vonden hun uitweg in ziekte en vage symptomen. Door psychisch zwak te zijn, door nervositeit of hysterie tentoon te spreiden, onttrokken ze zich aan het gewone leven. Hiermee gold deze ‘beschavingsziekte’ als bevrijding uit het milieu en de daaraan verbonden wetten en plichten. De vrouw ‘mocht’ een leven leiden in een beperkte ruimte, kwijnend op de sofa met weinig verplichtingen, weinig buitenlucht en niet veel nuttigs omhanden. Een constante ziekelijkheid werd op deze manier een houding om staande te blijven.
    Een radicale uitweg echter was uit het leven te stappen. Het uiterste redmiddel voor vrouwen die, gekweld en zonder levensdoel, alleen nog maar naar de dood konden verlangen. Dit zien we terug bij onze drie vrouwen Anna, Emma en Eline. Zij bevinden zich in een omgeving waarin het belangrijk is dat de vrouw zich gedraagt naar het beeld dat er van haar is geschapen. Het lukt hun echter niet om zich hierbij neer te leggen en ze

10
proberen dan ook op uiteenlopende manieren uit hun situatie los te breken, bijvoorbeeld door extravagante spullen te kopen, zich in te laten met minnaars, weg te dromen bij onbereikbare liefdes of hun ziekelijkheid aan te wenden en zich te verdoven met medicijnen als morfine, opiumpreparaat en arsenicum. Maar dit alles brengt niet wat ze ervan verwachten, integendeel. Ze raken zo verstrikt in het web van verlangens en onvervulde verwachtingen, dat de dood de enige uitweg lijkt. Ziek of zwak zijn, zich onttrekken aan het dagelijks leven, is niet meer voldoende. Het leven is ondraaglijk geworden.
    Zoals al eerder gezegd dringt de gedachte aan de dood zich al op, voordat de drie vrouwen daadwerkelijk de stap uit het leven zetten. De dood als een angstaanjagend maar tegelijk heel aantrekkelijk vooruitzicht: deze paradoxale gedachte vinden we terug bij zowel Anna als Emma en Eline. De gedachte aan de rust van de dood blijkt doorslaggevend te zijn, want de keuze hiervoor wordt uiteindelijk door alle drie gemaakt, hoewel door elk op een andere manier. Bij Eline Vere is het allereerst de vraag of het een keuze was: vermoordt zij zichzelf opzettelijk? Tegen het einde van haar leven is zij zwakker dan ze ooit is geweest. De voorgeschreven verdovende druppels doen hun werk niet meer en Eline neemt er, in angst, meer van.

– God! God! O, God! kreunde zij met een, steeds zwakkeren, schorren klank, vol van een wanhoop, die zich niet meer uiten kon. Toen vloeide het bewustzijn, als druppel na druppel, uit haar weg en zij sliep in den dood in. [31]

De wanhoop is van de laatste pagina’s af te lezen. Hierdoor lijkt haar sterven een minder bewuste daad dan de dood van Emma en Anna. Emma Bovary staat immers met de rug tegen de muur en ziet geen andere uitweg dan uit het leven te stappen. Met de hete adem van schuldeisers in de nek en gekweld door minnaars die haar verlaten hebben, neemt zij bewust het arsenicum in.

(…) zij liep regelrecht naar de derde plank, voortreffelijk geleid door haar geheugen, greep de blauwe stopfles, rukte er de stop af, stak er de hand in en trok die gevuld met wit poeder terug. Zij begon dadelijk te eten. (…) Daarna keerde zij zich om, opeens tot rust gekomen, tot de haast verheven rust na een volbrachte taak. [32]

Ook Anna Karenina is zich bewust van wat ze doet wanneer ze tussen de rijdende treinstellen van een goederentrein stapt. Zij is verstrikt geraakt in (waan)ideeën, verteerd door jaloezie, woedend omdat zij het geluk niet grijpen kan.

En juist op het ogenblik waarop het midden van de wagon voor haar was, wierp zij de reistas weg, trok haar hoofd tussen de schouders, wierp zich op haar handen neer onder de wagon en liet zich met een lichte beweging, als wilde zij dadelijk weer opstaan, op de knieën vallen. (…) Zij wilde zich oprichten, maar iets reusachtigs, onverbiddelijks stootte tegen haar hoofd en trok haar bij haar rug met zich mee. [33]

Anna’s sterven is niet, zoals bij Emma, een hysterische keuze of zoals in het geval van Eline het langzaam uitdoven van een kaars. Zelfs in deze laatste momenten verliest Anna haar waardigheid niet.

11
Voor iemand die gevangen is in een verstikkend leven, is geen uitweg zo bevrijdend als de dood. Enerzijds een angstaanjagend monster, anderzijds een heerlijk vooruitzicht. Aan die lokroep kunnen Anna, Emma noch Eline weerstand bieden.
 
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op de catalogustekst behorend bij de expositie ‘Drie fatale vrouwen: Anna, Emma & Eline’, van 22 november 2009 tot 23 mei 2010 in het Louis Couperus Museum te ’s-Gravenhage.
2. Karin Johannisson, Het duistere continent. Dokters en vrouwen in het fin de siècle. Amsterdam, 1996, p.27.
3. Ruth Weber, ‘De medische wereld over “de vrouw”.’ In: De Negentiende Eeuw 6 (1982), p.5.
4. Karin Johannisson, Het duistere continent, p.36.
5. Idem, p.143.
6. Idem, p.123.
7. Idem, p.135.
8. Idem, p.158.
9. Ruth Weber, ‘De medische wereld over “de vrouw”’, p.3.
10. Karin Johannisson, Het duistere continent, p.139.
11. Idem, p.203.
12. Ruth Weber, ‘De medische wereld over “de vrouw”’, p.11.
13. Maarten van Buuren, ‘Een barst waardoor het kwaad de ziel binnendringt. Hysterie en literatuur in de 19e eeuw.’ In: De Revisor 18 (1991), nr.6, p.32.
14. Ruth Weber, ‘De medische wereld over “de vrouw”’, p.8.
15. Geciteerd in Ruth Weber, ‘De medische wereld over “de vrouw”’, p.10.
16. Louis Couperus, Eline Vere. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.13.
17. Frans de Jonghe, Eline Vere bij de psychiater. Bloemendaal, [z.j.], p.14-19.
18. Louis Couperus, Eline Vere, p.283-284.
19. Idem, p.138.
20. Idem, p.417.
21. Idem, p.543.
22. Idem, p.544.
23. Idem, p.462.
24. Gustave Flaubert, Madame Bovary. Wageningen, 1978, p.83.
25. Idem, p.244.
26. Idem, p.242.
27. Lev Tolstoj, Anna Karenina. Amsterdam, 1965, p.812.
28. Idem, p.864.
29. Karin Johannisson, Het duistere continent, p.221.
30. Idem, p.222.
31. Louis Couperus, Eline Vere, p.563.
32. Gustave Flaubert, Madame Bovary, p.367.
33. Lev Tolstoj, Anna Karenina, p.883.

(Uit: Arabesken 34 (2009), nr.34, p.4-11.)