Acteur zonder opsmuk
Ton Kuyl 1921-2010

Populair is hij niet geweest, laat staan ‘een ster’. Daarvoor was Ton Kuyl een veel te bescheiden en relativerende acteur. Het grote publiek kende hem vooral door zijn aanwezigheid in televisieseries, onder meer in Couperus-bewerkingen. Na een voltooid leven stierf Ton Kuyl op 30 november vorig jaar in het Rosa Spier Huis in Laren.

DOOR

Kuyls debuut, al tijdens zijn toneelschooltijd, lag ver van de Couperussfeer: in het seizoen 1943-1944 speelde hij de rol van lakei in de kindervoorstelling Tom Poes en de verdwenen kroon, een productie van het Tierelantijn Tooneel van Wim Sonneveld. Daarna speelde hij in tal van stukken. In de jaren vijftig werkte hij vijf jaar in Parijs en na zijn terugkomst in Nederland was hij verbonden aan onder meer De Nederlandse Comedie en Toneelgroep Centrum.
    In het televisieseizoen 1969-1970 speelde hij zijn eerste Couperus-rol: Ernst, in Yvonne Keuls’ bewerking van De boeken der kleine zielen, ‘de gekke broer, wat ik prettig spelen vond’. [1] In 1975 was hij opnieuw te zien in een Couperus-adaptatie: De stille kracht. Kuyl speelde hierin de schilder Paul van Hove, een personage dat in de roman niet voorkomt. Bewerker Walter van der Kamp liet Van Hove verwoorden wat Couperus in zijn roman als verteller over de verhouding Indië-Nederland noteerde.
    De sfeer van De stille kracht was Ton Kuyl, geboren in Batavia, niet vreemd. Opgevoed in een vrij-katholieke, theosofische sfeer, was hij vertrouwd met ‘stille krachten’. ‘Het Indische leven – we woonden tot mijn elfde in Bandoeng – was zeer aan mij en mijn moeder besteed. Ons huis had tot wij erin trokken lange tijd leeggestaan en dat was niet voor niets zo. Ooit

64
had iemand er zelfmoord gepleegd en het was dan ook een goena-goena-huis. Ik hoorde altijd zuchten op mijn slaapkamer en mijn moeder is er jarenlang ziek geweest.’
    Opnieuw volgde een – kleine – Couperus-rol: die van Leopold d’Herbourg in Van oude mensen, de dingen, die voorbij gaan... (1975-1976).
    Kuyl speelde in meer televisiebewerkingen van literaire romans. Hij was in 1970-1971 Frederik Craets, één van de hoofdrollen in De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker, en in 1971 was hij te zien als Rentenstein in Bordewijks Karakter.
    Het was opnieuw in een Couperus-bewerking dat Ton Kuyl zijn toneelloopbaan afsloot. In 1999-2000 speelde hij de oude Takma in Willem Jan Ottens niet erg gelukkige bewerking van Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan.... De Takma van een nog kwieke Kuyl was evenmin erg overtuigend.
    Ton Kuyl was een gedistingeerde, bescheiden acteur, die niets moest hebben van het grote gebaar. Hij was de man van het kleine gebaar, de nuance. Dat gold ook voor de wijze waarop hij terugkeek op zijn leven en werk: ‘Bejaard als ik nu ben, stel ik vast nog steeds niets te weten. Je verwerft wat inzichtjes, maar veel stelt het niet voor.’
    Niet vreemd, dat Kuyl zo graag meer Tsjechov had willen spelen.
 
Noot
1. P. Kottman, ‘Het schuldgevoel groeit met de jaren. Gesprek met acteur Ton Kuyl’. In: NRC Handelsblad 1998, 20 maart. Ook de volgende twee citaten zijn uit dit artikel.

(Uit: Arabesken 19 (2011), nr.37, p.63-64.)