Kolossaal wandelen met Couperus
Krinkelende gevels, lila sokken

Adriaan van Dis houdt van wandelen, ‘kolossaal wandelen’, in zíjn stad Parijs, liefst in de voetsporen van beroemde schrijvers. Zo volgt hij op een namiddag Couperus, de held van zijn jeugd, die hier in de noodlottigste periode van zijn leven verbleef. Hoe kan hij dichter bij die ‘geniale zeurpiet’ komen? Al zittend op een bankje in de ‘Tuilerieën-tuinen’, met nieuwe lila sokken aan…?

DOOR 

De wandelaar in Parijs kan zich elke dag een ander doel stellen: middeleeuwen, revolutie, negentiende eeuw, art deco, industriële architectuur, futurisme, armoe, rijkdom, commercie, erotiek… Een land na-wandelen kan ook: India (boven het Gare du Nord), Senegal (Rue Mahy of Chateau d’eau), Egypte (langs faraokoppen en obelisken). Parijs biedt honderden decors. Maar het liefst loop ik in het voetspoor van een schrijver: Proust, Baudelaire, Strindberg (die in Parijs stapelgek werd en daar in Inferno prachtig over schreef). Als je niet oppast, wil je na zo’n tocht net als Baudelaire je haar groen verven (een pesterig ventje was het), of madeleines eten à la Proust (en ratten de ogen uitbranden, omdat het gepiep hem zo opwond). Ja, schrijversvoeten kunnen je ratgek maken.
    Maar is dat niet de lol van het wandelen? Grenzen overschrijden en buiten jezelf raken? Ik ben ook Wagner geweest, die in het zesde arrondissement in zeker drie straten met een plaquette bedacht wordt, en ik heb deunen Fliegende Holländer in de Rue Jacob gefloten.
    Onlangs, de blaren gloeien er nog van op mijn hielen, was ik een namiddag Louis Couperus – Nederlands grootste dooie schrijver (inclusief de levenden). Nooit geweten dat-ie in Parijs probeerde te wonen. Najaar 1890. Hij liet zich er zelfs voor uit Den Haag schrappen, want hij was van plan nooit meer naar Nederland terug te keren.
    Het werd een mislukking. De schrijver verkeerde die maand van zijn verhuizing in een existentiële crisis, werkte weinig en ging gebukt onder zijn ‘smart’ – vermoedelijk een verboden homoseksuele liefde. Hij betrok een achterkamer in de Rue Pasquier (niet ver van Gare St. Lazare):

op de tweede verdieping van een groot huis; de kamer somber, de meubelgordijnen eenvoudig terzijde weggeschoven, somberrood. Voor het glas bloemen van guipure; de vensters gaan als glasdeuren open naar binnen, met een roestig vergulden kruk; een ijzeren balconhekje krinkelt er laag voor, met éene zelfde arabesk rechts en links (…). Over den muur van den cour heen zie ik de façades van de Rue de l’Arcade (…). [1]

De aanbevelingsbrieven om zich te komen voorstellen aan bekende schrijvers als Zola, Goncourt en Massenet bleven in zijn geliefde houten koffer. Hij voelde zich te nietig, dwaalde maar en miste zijn familie. Aan zijn zus Trudy in Indië schreef hij:

35

Ik ben nu in den Foyer der beschaving en ik vind het leven hier zoo afgesleten, zoo onfrisch, zoo zonder eenigen geur van jeugdig mooi. Parijs lijkt me een oude, vuile stad, waar de verguldsels der café’s en theaters, de cosmopolitische warwinkel der boulevards, de fiacres en de cocottes, allen oud, vuil, afgesleten zijn; een navrante boel, waar het iemand een kwelling is in te leven. O, natuurlijk, er is hier ‘Kunst’ en ‘Beschaving’, jawel, o God! jawel, ik weet dat, maar leef er eens in,... en toets, wat je hier vindt aan je eigen ideeën, aan je illusiën, wat een déceptie!... [2]

Couperus stoorde zich vooral aan de wijze waarop de vrouwen zich kleedden. Zo had hij in de loge van de Grand Opéra gehoopt ‘de nieuwste creaties van Worth en Doucet te kunnen bewonderen’, maar de mondaines hadden oude jurken aan. [3]
    Ook op straat liepen de Parisiennes er in zijn ogen slordig bij. Hij heeft in Parijs slechts één schets over zijn mislukt verblijf geschreven: Een verlangen, waarin de hoofdpersoon lange zwerftochten door de stad maakt. Ook in brieven naar familie rept hij van ‘kolossale wandelingen’: ‘(…) ik amuseer mij dan om naar de namen van de straten te

36
kijken en maak alzoo een locale studie van Parijs (…).’ Hij vind het er koud en eenzaam: ‘alsof Parijs de Sahara is.’ [4] Toch heeft hij geen ogenblik berouw dat hij naar Parijs gekomen is; hij moest zich losscheuren uit Den Haag – vermoedelijk om te ontvluchten aan de liefde die vriendschap heet.
    Begin januari 1891 keert Couperus terug naar Den Haag, omdat zijn oom en tevens de grootvader van zijn nichtje Elisabeth Baud is overleden. Een noodlot dat hem in haar armen drijft. Later zal hij een ‘blank huwelijk’ met haar aangaan.
    Arme Couperus! Hoe kan ik die geniale zeurpiet alsnog van Parijs laten houden? Hij, die een held van mijn jeugd was. Ik mocht hem graag nadoen (pas op, want straks ga ik ook nog schrijven zoals hij – al kan ik in zijn schaduw niet staan). Want ja, lezer, de grote Couperus is bij mij op school geweest, verkleed als de voordrachtskunstenaar Albert Vogel. Ik zie de acteur nog staan, de benen trois-quarts, met een malle zwarte bril. Hij sprak naar eigen zeggen hetzelfde ‘geciseleerde’ Haags als de schrijver. ‘Louis Couperus was wel natuurlijk, maar niet gewoon. Als het rijtuig hem naar een visite voerde, hield hij beide handen omhoog voor het raampje, opdat het bloed eruit zakte en hij met mooie bleke vingers onder de mensen kwam. Zijn gewapper maakte diepe indruk op de Haagse burgerij.’
    Albert Vogel deed het overdreven na, heel gemaniëreerd. Literatuur en toneel vielen samen. Als Couperus een lezing gaf, droeg hij aan elke vinger een ring. En hij vijlde zijn nagels, scherpgepunt. Maar wat men toen in Den Haag het allerergste vond: als hij een signatuur in een boek zette, deed hij dat met lila inkt. Een man, die schreef met lila inkt!
    God, wat is Couperus bespot tijdens zijn leven, om zijn nagels, zijn ringen en… zijn lila inkt. Maar in Nice, waar de schrijver later vaak vertoefde, was lila inkt heel gewoon, zei Albert Vogel. Voor een scholier, opgevoed in Hollandse degelijkheid, waren dat opwindende verhalen. Ik ging hem lezen. En ik kocht een potje lila ecoline. Couperus voerde me mee in een grotere wereld, een grotere taal. Zo wilde ik leven. En wandelen. Kolossaal wandelen.
    Ik liep naar de Rue Pasquier. Een straat van niets, al noemt de kapper op de hoek zich ‘Allure’. Nog net zo saai als kort na de bouw, midden negentiende eeuw, toen fotograaf Charles Marville deze in opdracht van de stad Parijs fotografeerde. Baron Haussmann (‘le champion du vandalisme urbain’) had kort daarvoor de laatste volkswijken uitgegumd om er statige boulevards doorheen te trekken. Ook op de foto van Marville valt geen hond te bekennen. Voor oude jurken hoef je niet naar de Opéra: je ziet ze in horden om de hoek bij Gare St. Lazare. Hoeren tippelen daar. Ik wandelde met opgeheven hoofd, het oog tweehoog, gericht op ‘krinkelende balkonhekjes’, ook al wist ik dat Couperus op de cour uitkeek. Misschien vond ik een huis in die stijl. Maar alle gevels krinkelden – het was de krulbouwtijd. Ik zat op een mossig bankje in het parkje rond de Chapelle Expiatoire, waar Louis XVI en Marie–Antoinette, voor ze naar de koninklijke grafkelders in St. Denis werden overgebracht, tweeëntwintig jaar gastvrijheid onder de grond genoten – het hoofd los van de schouders. Marcel Proust, die om de hoek op de boulevard Haussmann woonde, op nummer 102, keek erop uit. Maar de heren hebben elkaar nooit gekruist.
    Zat Couperus op mijn bankje? Ik riep zijn geest op in mijn aantekenboekje – met rode inkt. Sorry. Hij gaf niet thuis. Ook niet na een glas bij Le Louis en Le Bourbon. Hoe kon ik dichter bij hem komen? Twee keer liep ik zijn straat op en neer, tot ik aan de kant van Malesherbe een deftige Engelse schoenwinkel zag, een vestiging van Crockett & Jones. Er lagen lila sokken in de etalage. Ik snelde naar binnen en kocht twee paar. Mijn tenen krulden van verlangen. Na zo’n aanschaf kwam Couperus al nader en ik stoomde door naar

37
Hediard op de Place de la Madeleine, om een bittere marmelade te kopen (in een zakje met fluwelen strik). Het was nog maar een klein stukje naar de Tuilerieën. Ook daarover schreef Couperus, dertig jaar later (1921), in de toen nog fatsoenlijke Haagsche Post:

‘Jij houdt niet van Parijs’, verwijt mij telkens aldoor mijn vrouw. Hoû ik niet van Parijs? Ik durf het zelf niet zoo driest verklaren. Ik geloof, dat het dit is: Parijs blijft altijd wat vèr van mij, Parijs neemt mij niet op; ik blijf altijd op visite in Parijs als bij een heel hooge, heel elegante, heel genadige vorstin (…) [5]

Maar uiteindelijk omarmt hij Parijs in de ‘Tuilerieën-tuinen’, gezeten ‘op een bankje’, tussen ‘pompeuze paleizen, parken, vazen, standbeelden’, met ‘allereenvoudigste menschen’ [6] om hem heen. Hij ziet de scheefgelopen hakjes van de modinettes, raakt ontroerd door hun bleke gezichtjes en doorprikte vingers en droomt ervan hun een cadeautje te geven:

Wat zoû je zoo een kind gelukkig maken als je haar, zonder verdere bedoeling, op die bank in eens een bankje van 100 fr. zoû reiken en beleefd zeggen: wil u zoo vriendelijk zijn hiervoor iets te koopen, dat u prettig vindt om te hebben? En dan weggaan, na je hoed te hebben afgenomen. Ik heb het nog nooit kunnen doen! [7]

Ze waren niet opgestaan, die eenvoudige mensen. Ik deelde mijn bank met afgesloofde winkelmeisjes. We praatten over Parijs en ik liet ze mijn lila sokken zien.
    Morgen zal ik ermee uit wandelen gaan, met die sokken. Ja, ik heb Parijs zeer lief. Ik leef erin!
 
Noten
1. Beschreven in een brief aan zijn vriendin Marie Vlielander Hein. Zie Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.140.
2. Idem, p.140-141.
3. Idem, p.141.
4. Idem, p.141-143.
5. Louis Couperus, 'Met Louis Couperus in Parijs'. In: Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.481.
6. Idem, p.483.
7. Ibidem.

(Uit: Arabesken 19 (2011), nr.37, p.34-37.)