De bemoeienis van Veen met de vertalingen van Majesteit en Wereldvrede
‘Doe ook precies wat U wil met die vertalingen’

In de jaarstukken van het familiearchief van L.J. Veen bleken bij bestudering drie titels voor te komen van vertalingen – een in het Engels en twee in het Duits – van romans van Couperus: Majesty, Majestät en Weltfrieden. [1] Hoe kwamen die titels in de jaarstukken terecht? Ruud Veen ondernam een zoektocht.

DOOR 

Om op de bovengestelde vraag een antwoord te vinden, heb ik naast de vele publicaties ook de bewaard gebleven correspondentie in het Letterkundig Museum te Den Haag onderzocht. Helaas is de correspondentie met name uit de beginjaren niet compleet en ontbreken er belangrijke stukken. Voor deze reconstructie van de initiatieven van L.J. Veen heb ik gebruikgemaakt van wat bewaard is gebleven: brieven van en aan vertalers, gegevens uit de balansboeken, en overige correspondenties en stukken. [2]

De betrokken uitgevers en vertalers
Lambertus Jacobus Veen begon zijn uitgeverij in 1887 in Amsterdam door het overnemen van enkele fondsen en het ontwikkelen van eigen uitgaven, waaronder vertaald werk. Binnen enkele jaren wist hij een gevarieerd fonds te ontwikkelen. L.J. Beijers uit Utrecht had na het stoppen van zijn uitgeverij in 1886 de voorraden verkocht aan A. Rössing in Amsterdam; hierin zat de dichtbundel van Couperus, Een lent van vaerzen. Enkele jaren later, in november 1890, ging Rössing failliet en werden de voorraden overgenomen door Veen. Door deze overname kreeg Veen nu twee titels van Couperus in handen: Een lent van vaerzen en Orchideeën, in 1886 door Rössing uitgegeven. Als jonge en ambitieuze uitgever wilde Veen ook graag de nieuwe titels van Couperus uitgeven. Eline Vere was reeds in 1889 bij de Amsterdamse uitgever P. N. van Kampen verschenen. Binnen uitgeverskringen was toen al bekend dat Van Kampen geen nieuwe titel van Couperus meer in zijn fonds wilde. [3] Veen schreef Couperus, die hem berichtte dat Noodlot, uit te komen in 1891, al was toegezegd aan de Amsterdamse uitgever Elsevier. Veen heeft vervolgens diverse malen geprobeerd deze titels over te nemen, wat alleen met Noodlot is gelukt. Couperus had deze overname ook aan Veen gevraagd, nadat de persoonlijke verhoudingen met J.G. Robbers, directeur van Elsevier, waren verslechterd. [4] Robbers was tot die overname pas bereid toen in 1896 de tweede druk nagenoeg uitverkocht was.
    De eerste uitgave die Veen zelf van Couperus kreeg aangeboden, was in 1892 Extaze, in 1893 gevolgd door Eene illuzie en Majesteit, in 1894 Reis-impressies, in 1895 Wereldvrede en in 1896 Hooge troeven. Tot aan Couperus’ dood verschenen er nagenoeg elk jaar een of meer titels van hem. [5] De samenwerking met Veen zou bijna vijfentwintig jaar duren, zij het de laatste tien jaar met tussenpozen. Van de 47 zelfstandige titels heeft Veen er dertig uitgegeven.  

18
Toen Veen feitelijk de vaste uitgever van Couperus was geworden, heeft hij ook geprobeerd met hem goede afspraken te maken over de vertalingen. [6] De eerste vertaling in Duitsland van zijn roman Noodlot (vertaald als Schicksal) kwam op initiatief van de vertaler Paul Raché tot stand en werd geplaatst bij de Duitsche Verlaganstalt, die ook uitgever was van het periodiek Aus fremden Zungen, waarin de roman als voorpublicatie was opgenomen. In Engeland ging het anders. Op voorspraak van Frederik van Eeden en Jan van der Poorten Schwartz nam de serieredacteur Edmund Gosse de vertaling van Noodlot (vertaald als Footsteps of Fate) op in Heinemann’s international library, een serie waarin vertaalde literatuur uit alle landen was opgenomen.
    Met Majesteit en Wereldvrede meende Veen goed verkopende titels in handen te hebben, die het waard waren om vertaald te worden in het Engels en Duits. Voor deze titels heeft Veen zelf vertalers gezocht en in de vertalingen geïnvesteerd, zoals blijkt uit de boekhouding. Dit was geen gebruikelijke gang van zaken, want meestal ging het initiatief uit van de vertalers of redacteuren. Daarom heeft Veen vooraf afspraken willen maken over de verdeling van de opbrengsten uit vertalingen. De meest waarschijnlijke afspraak die Veen met Couperus gemaakt heeft, is: wanneer hij de vertaling kon plaatsen, dan ging de opbrengst naar Veen; als Couperus erin slaagde de vertaling bij een buitenlandse uitgever geplaatst te krijgen, dan kreeg Veen daarvan niets. [7]

Majesteit en Wereldvrede
Uit de boeken blijkt dat Veen op de balans van 1894 voor Majesty en op de balans van 1895 voor Majestät en Weltfrieden een bedrag van respectievelijk ƒ 424,04, ƒ 372,23 en ƒ 416,23 in de jaarrekening heeft opgenomen als onderhanden werk omdat de verschijning in Engeland en Duitsland nog niet was gerealiseerd. Voor de Engelse vertaling is het zeker dat in ponden is afgerekend. [8] De vertaling was gemaakt door de later gerenommeerde vertaler Alexander Teixeira de Mattos. Hij kreeg in totaal £ 35. De Mattos had eerder, in 1892, voor £ 20 Extaze vertaald, dat verscheen bij Henry & Co te Londen. Hoewel er nog geen bewijs is gevonden, is het zeer waarschijnlijk dat er ook in marken is afgerekend. Ook staat vrijwel vast dat de vertaler in Duitsland woonachtig was en dat er, zoals gebruikelijk in die tijd, een rond bedrag was afgesproken. Vermoedelijk had Veen ook Raché als eerste benaderd voor Majestät, die om onbekende redenen nee heeft gezegd, maar wel ja tegen het voorstel voor Weltfrieden.
    Majestät en Weltfrieden werden ondergebracht bij Verlag von Heinrich Minden, gevestigd in Leipzig en Dresden. Zeer waarschijnlijk kende Veen Minden persoonlijk van zijn studie aan de handelsschool in Osnabrück, waar Veen zijn opleiding afsloot. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat Veen de vertalingen probeerde onder te brengen bij een uitgeverij waarmee hij al een goede relatie had opgebouwd. De Engelse vertaling van Majesteit (Majesty) had hij ondergebracht bij T. Fisher Unwin, waar hij stage had gelopen. Zoals gebruikelijk in het Engelse taalgebied verscheen in Amerika het boek bij een bevriende uitgever, D. Appleton and Co in New York, die in 1892 Eline Vere had uitge-

19
bracht in samenwerking met de Engelse uitgever Chapman and Hall in Londen. Wegens het verlies op Majesty en de slechte kritieken is Wereldvrede nimmer in een Engelse vertaling verschenen. [9] Ook hier had Veen er een gezamenlijk project van gemaakt. Na de ervaring met Majesty schreef Fischer Unwin aan Veen dat hij geen nieuwe gezamenlijke projecten meer wilde. [10] De samenwerking tussen Veen en Unwin is ook na het mislukte project-Couperus toch goed gebleven, zo blijkt uit de briefwisseling en de regelmatige bezoeken die Veen aan Londen bracht.
    Uit de briefwisseling tussen Couperus en Veen is ook op te maken dat Minden niet voor de vertaling heeft betaald en dat de risico’s zijn gedeeld. Veen moest dus verlies incasseren toen de verkoop in de eerste jaren teleurstellend was. In 1896 heeft Veen op Majestät een verlies van ƒ 238,86 genomen en op Weltfrieden maar liefst ƒ 346,89. Voor Majesty wordt in 1895 een verlies van ƒ 86,59 verantwoord en in 1896 een winst van ƒ 5,08. Zoals gebruikelijk in Engeland werd per verkocht exemplaar afgerekend. Van Minden heeft in eerste instantie niet meer dan ƒ 133,37 aan vergoeding voor Majestät en ƒ 69,34 voor Weltfrieden ontvangen. Voor zover bekend heeft Veen van deze ontvangen bedragen niets aan Couperus afgedragen.
    Uit latere correspondentie blijkt dat Veen zowel met Minden als met Unwin een royaltyregeling heeft afgesproken. [11] In 1898 zien wij namelijk dat in de boeken een opbrengst van respectievelijk ƒ 81,00 en ƒ 81,36 wordt verantwoord. In latere jaren zijn voor de verkopen en herdrukken voor deze titels in de balansboeken geen opbrengsten van Minden meer verantwoord. Ook voor Majesty is geen opbrengst meer verantwoord. Over de precieze afspraken tussen Veen en Minden zijn nog geen documenten gevonden. Uit de kopieboeken en losse correspondentie is af te leiden dat er bijzondere afspraken zijn gemaakt. In een brief van 25 februari 1897 schrijft Minden dat de verkoop vanwege de slechte kritieken niet goed gaat. [12] Minden heeft van Couperus nog 2000 boeken in voorraad, nagenoeg de gehele voorraad. Op een briefkaart van juni 1898 herhaalt Minden dat. Maar in augustus 1898 komt er een afrekening en schrijft Minden dat er 150 exemplaren van Majestät en 128 van Weltfrieden zijn verkocht met een royalty van 0,90 mark en nog 50 exemplaren met een royalty van 0,50 mark en dat hij dus 275,20 mark verschuldigd is. Minden schrijft ook over een gemeenschappelijk project. Dat wordt veertien dagen later in een brief bevestigd, waarin een bijdrage van 60 mark wordt gevraagd voor een nieuwe folder. In 1901 volgt er nog een afrekening, die Veen echter vergeten was:

Ich sehe aus Ihre Circular dass von Couperus, Stille Kraft wieder eine neue Auflage kommt und kommt bei mir die Frage auf wie es steht mit Majestät und Weltfrieden. Ich habe seit 1898 nichts mehr davon gehört und kostet mir die Geschichte doch immer 425 Gulden und Sie werden doch kein neues Buch von Couperus verlegen wenn Sie an die Andere soviel verloren hatten.

20

Wir haben die Bücher für gemeinsame Ausgabe gegeben und wollte ich gern Abrechnung haben, Abwartend nach viele Grüsse hochachtungsvoll. [13]

In zijn brief van 30 september 1904 bevestigt Veen de ontvangst van 101,70 mark en vermeldt dat het toch nog goed is afgelopen en dat hij inderdaad is vergeten dat Minden in 1901 al een bedrag van 138 mark had betaald. Opvallend is dat al deze opbrengsten niet meer in de jaarstukken voorkomen. Er is wel een andere belangrijke conclusie te trekken uit de jaarstukken: betaalde honoraria werden, na verschijning van het boek, in één keer, in zijn geheel, in hetzelfde jaar als kosten genomen. Dus er werd niets van de betaalde honoraria in de kostprijs van het boek verwerkt. [14]

Heinrich Minden
Met Heinrich Minden, wiens uitgeverij zoals gezegd gevestigd was in Dresden met een nevenvestiging in Leipzig, was de samenwerking niet zó hecht en succesvol dat hieraan een vervolg werd gegeven. Minden heeft uiteindelijk drie boeken van Couperus uitgegeven: Majestät, Weltfrieden en Stille Kraft. De oplagen waren relatief klein, gezien de meer dan 2500 geregistreerde verkooppunten. De eerste oplage is niet veel groter geweest dan duizend exemplaren. Wel heeft Minden alle titels een of meerdere keren herdrukt. Voor de uitgave van Stille Kraft is Minden zelf met de vertaalster in zee gegaan. In een brief van januari 1902 staat dat hij niet zelf het initiatief heeft genomen, maar de vertaalster Marie Louise Gräfin von Wengersky (die als pseudoniem Gräfin von Wengstein gebruikte). Over haar is weinig bekend. Bij de publicatie van haar vertaling in Aus fremden Zungen gebruikte zij het pseudoniem Mark v. Wengstein. Opvallend is dat de uitgever van Aus fremden Zungen, Deutsche Verlag-Anstalt, de vertaling niet in het eigen fonds heeft opgenomen, zoals dat eerder was gebeurd met de vertaling van Noodlot. Het is aannemelijk dat de Gräfin vaker onder pseudoniem heeft gepubliceerd en in literaire kringen een zekere bekendheid had. Dit alles is op te maken uit een brief van Minden aan Veen. [15] Van Couperus had zij volgens Minden toestemming verkregen. Minden schreef:

Hauptssächlich um dieser Dame zu dienen habe ich die Buchausgabe des Werkes übernommen, da ich mir von mir selber nicht viel erfolg verspreche...

Kennelijk kon Minden haar niet afwijzen. Spijt zal hij er niet van hebben gehad, gezien de vier drukken die er van Stille Kraft zijn verschenen.

Vertalers
In de literatuur is er verwarring over wie Majesteit heeft vertaald, omdat de vertaler niet in het boek wordt vermeld. Dat is ongebruikelijk. Op de titelpagina staat: ‘Einzige, vom Verfasser und Verleger autorisierte Übersetzung’. Minden geeft hiermee aan dat het verkrijgen van de rechten van de vertaling via uitgever en auteur is verlopen. Waarschijnlijk kende Minden de naam van de vertaler niet eens en heeft hij die ook niet opgegeven bij de levering van nieuwe uitgaven aan het Duits Nationaal Depot. In de literatuur wordt melding gemaakt van mevrouw Heiden of mevrouw Von Heiden. Waarschijnlijk is het een pseudoniem van iemand die geen prijs stelde op vermelding. Majesteit en Wereldvrede moeten ongeveer in dezelfde periode zijn vertaald. Beide vertalingen zijn in 1895 op de balans opgevoerd en zijn in hetzelfde jaar verschenen bij Minden. Wereldvrede is op verzoek en op kosten van Veen vertaald door Paul Raché. Van Uffelen meldt Otten als verta-

21
ler voor Majesteit. [16] In diverse geschriften, ook in het Letterkundig Museum en in diverse publicaties is deze naam terug te vinden als vertaalster van Majesteit. De conclusie van Grave dat noch Otten noch Raché de vertaler kan zijn geweest, is juist. Waarschijnlijk is het ook geen bekende van Raché geweest, gezien zijn kritiek op de vertaling van Majesteit. Het is zeer onwaarschijnlijk dat Otten een pseudoniem heeft gebruikt. Grave is in zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat de eerste vertaling van de hand van Otten eind 1894 is verschenen. [17] In het voorjaar van 1895 heeft zij voor het eerst contact met Couperus en Veen. De vertaling van Majesteit was toen al klaar en was reeds verschenen. In een brief uit het voorjaar van 1895 schreef Couperus naar aanleiding van de verschijning in mei 1895 van Orchideeën: [18]

Dank voor de zending. De Orchideeën zijn een mooi boek geworden! Wat een lelijk papier, die Duitse vertaling!

Hiermee is het dus vrijwel zeker dat Majestät in het voorjaar van 1895, gelijk met Orchideeën, aan Couperus is toegezonden. Couperus is door Otten in het voorjaar van 1895 benaderd om ‘Epiloog’ te mogen vertalen. [19] Het is dus waarschijnlijk dat een van de contacten van Veen de vertaling heeft verzorgd en dat de vertaler er geen prijs op stelde in het boek vermeld te worden.
    De eerder genoemde Paul Raché (1869-1931) wordt gezien als de belangrijkste wegbereider voor de Nederlandse literatuur in Duitsland, in het bijzonder voor Couperus. Na zijn promotie in 1891 is Raché gaan werken bij de Kamer van Koophandel in Frankfurt. Zijn belangstelling ging echter uit naar de literatuur. Hij kon na een paar jaar een aanstelling krijgen bij de Hallesche Zeitung. In 1895 kreeg hij de functie van redacteur bij Hamburger Fremdenblatt, waar hij tot 1906 bleef werken. Naast zijn werk als redacteur hield hij zich bezig met vertalen en met het schrijven van artikelen over literatuur in binnen- en buitenland. Zijn artikelen verschenen in diverse bladen, kranten en tijdschriften. Uit zijn recensies kunnen wij opmaken dat hij voorstander was van herscheppend vertalen. [20] Uiteindelijk heeft Raché maar twee boeken van Couperus vertaald: Noodlot in 1892, onder de titel Schicksal, en op verzoek van Veen Wereldvrede in 1895, onder de titel Weltfrieden.
    Schicksal verscheen bij Deutsche Verlags-Anstalt. Het is een oude nog steeds bestaande uitgeverij, nu gevestigd in München als onderdeel van de Bertelsmann-groep. Voorloper van de uitgeverij is de in 1830 door Louis Hallberger aangekochte Verlagsbuchhandlung, die gevestigd was in Stuttgart. In 1881 is die naam veranderd in Deutsche Verlags-Anstalt. Het bedrijf gaf naast boeken ook zeer succesvolle tijdschriften uit, onder andere Illustrierte Welt met een oplage van meer dan 100.000 exemplaren, en Über Land und Meer. In 1873 werd begonnen met Die Romanbibliothek. [21] In 1890 startte men met het genoemde tijdschrift Aus fremden Zungen en werd veel vertaald werk op de markt gebracht. Het was een van de toonaangevende uitgeverijen.
    Alexander Louis Teixeira de Mattos (1865-1921) werd geboren in Amsterdam. In 1874 vertrokken zijn ouders naar Engeland en hij vervolgde zijn opleiding aan de Kensington Catholic and Public School te Beaumont. Naast vertaler was hij ook correspondent voor een Nederlandse krant. [22] Hij wordt gezien als de belangrijkste vertaler van

22
Couperus’ werk in Amerika en Engeland; hij vertaalde tien van de achttien boeken. Hij zou er zeker meer vertaald hebben als hij langer was blijven leven. Vijf vertalingen verschenen na zijn dood. Net zoals in Duitsland was het ook in Engeland en Amerika na het eerste succes lange tijd stil. Voor 1900 verschenen er vier titels in vertaling: Footsteps of Fate (1891), Eline Vere (1892), Ecstasy: a study of Happiness (1892) en Majesty (1894). Daarna duurde het tot 1908 voordat Psyche verscheen, en vanaf 1914 tot 1930 verschenen de overige dertien titels.

Tot besluit
Door het initiatief van vertaler en redacteur Paul Raché is Couperus binnen twee jaar na verschijning in Nederland al in vertaling in Duitsland uitgebracht. Raché en enkele anderen hebben door hun regelmatige artikelen over de Nederlandse literatuur in Duitse kranten en tijdschriften de belangstelling voor vertaald werk bevorderd. Door het ontbreken van goede wetgeving kon het gebeuren dat van Extaze twee verschillende vertalingen nagenoeg gelijktijdig op de markt werden gebracht. Vertalers konden hun vertalingen zonder toestemming van de auteur aan uitgevers aanbieden. In de meeste gevallen namen de vertalers het initiatief. Het kostte de vertalers veel moeite om de vertalingen onder te brengen bij uitgevers of deze gepubliceerd te krijgen in tijdschriften.
    Veen, sinds 1892 Couperus’ vaste uitgever in Nederland, heeft moeite gedaan om Couperus in Duitsland en Engeland uitgegeven te krijgen, nadat hij daarover met hem afspraken had gemaakt. Veen heeft zelf het initiatief en het risico genomen door in vertalingen te investeren. Met Minden en Unwin is Veen tot een bijzondere overeenkomst gekomen. Voor gezamenlijke rekening en gedeeld risico werden Majesteit en Wereldvrede in Duitsland op de markt gebracht, en in Engeland en Amerika alleen Majesteit. De resultaten waren echter teleurstellend en de doorbraak bleef uit. In het begin van de twintigste eeuw liep de belangstelling voor Couperus snel terug. Door het ontbreken van voldoende wettelijke bescherming waren auteur en uitgevers ook laks in het promoten van hun werken in het buitenland. De opbrengsten waren mager, dus een actief beleid was weinig zinvol. Na 1902 zijn er tot 1916 geen nieuwe vertalingen in Duitsland meer verschenen. In 1916 slaagde Else Otten erin Couperus in Duitsland opnieuw in de belangstelling te krijgen. Na Majesteit duurde het in Engeland tot 1908 voordat de vertaling van Psyche verscheen en daarna tot 1914 voordat Heinemann uit Londen in samenwerking met Dodd, Mead and Company uit New York het met Couperus weer aandurfde met de vertaling van De kleine zielen. Kennelijk konden vertalers daar meer bereiken dan de Nederlandse uitgevers. Maar ook zij kregen het niet voor elkaar dat alle werken van Couperus in Duitsland werden uitgegeven.
 
Noten
1. Ondergebracht in een familiestichting en beheerd door de auteur van dit artikel. Meer gegevens zijn te vinden op de website: www.couperus-collectie.nl.
2. De kopiebrievenboeken die ontbreken zijn: 1 tot 9, (1887-1898) 11, (eerste helft 1900) 14 (eerste helft 1902), 17, 18 (tweede helft 1903 tot een deel van 1904) en 26 tot 23 (juni 1906 tot september 1908). Ook de losse correspondentie uit de beginperiode is niet volledig. Een belangrijke bewaard gebleven bron zijn de persoonlijke schaduw-jaarstukken, bestaande uit drie balansboeken. In het eerste boek staan de balansen van 1887 tot 1924, in het tweede boek de kapitaalbalansen van 1887 tot 1926 en in het derde boek de

23
voorraden op balansdatum van 1887 tot 1898, verlies en winst per artikel op balansdatum van 1887 tot 1898 en de persoonlijke huishouding van 1889 tot het jaar van het huwelijk van Veen in 1900. Tevens is gebruik gemaakt van documenten en aantekeningen van R. Breugelmans, die na zijn overlijden in het bezit zijn gekomen van de auteur van dit artikel.
3. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, Amsterdam, 1987, p.129.
4. F.L. Bastet (ed.), Waarde heer Veen. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever I [1890-1902]. Den Haag, 1977, brief 80, p.72.
5. Zie voor meer informatie over de drukgeschiedenis: H.T.M. van Vliet, Versierde verhalen. De oorspronkelijk boekbanden van Louis Couperus’ werk [1884-1925]. Amsterdam/Antwerpen, 2000.
6. F.L. Bastet, Waarde heer Veen, brieven 22 (p.32-33), 23 (p.33) en 72 (p.66-67).
7. In de auteurswet van 1912 werd de erkenning van de ‘Berner Conventie’ uit 1896 geregeld. In deze conventie werden grensoverschrijdend de auteursrechten wederzijds erkend. Uitgevers en vertalers in binnen- en buitenland moesten vanaf dat moment vooraf toestemming verkrijgen van de rechthebbende. Dat kon een uitgever zijn die ook de vertaalrechten van de auteur had verkregen, of die auteur zelf die de vertaalrechten had behouden. Tot 1912 kon in Duitsland en Engeland dus nog vrij Nederlands werk worden vertaald, omdat Nederland de Berner Conventie niet had geratificeerd.
8. Zie brieven 15 maart 1894 en 21 maart 1894 van De Mattos aan Veen. Signatuur: LJV Correspondentie, collectie Letterkundig Museum, Den Haag.
9. F.L. Bastet, Waarde heer Veen, brief 102, p.84-85.
10. T. Fisher Unwin had zijn uitgeverij onder gelijke naam in 1882 opgericht, vijf jaar eerder dan L.J.Veen. Naast boeken gaf Unwin ook tijdschriften uit. Zijn later meer beroemde neef Stanley Unwin startte zijn carrière bij zijn oom en nam in 1914 de uitgeverij George Allen over en zette het bedrijf voort met toevoeging van zijn naam.
11. Signatuur: LJV Correspondentie, collectie Letterkundig Museum, Den Haag.
12. Zie o.a. Paul Raché, ‘Majestät’, in: Internationale Litteraturberichte 2 (1895), nr.30, p.335-336.
13. Kopieboek 19, brief van 12 september 1904, kopieblad 391.
14. De lening aan Couperus, die op de kapitaalrekening van 1903 staat ten bedrage van f 4.008, is met de bekende overeenkomst van mei 1904, waarin voor f 12.000 alle rechten van Couperus werden verkregen, geheel als kosten genomen. Zie ook Van Vliet (ed.), Bloemlezing uit hun correspondentie, Utrecht/Amsterdam, 1987, p.90.
15. Signatuur: LJV correspondentie, collectie Letterkundig Museum, Den Haag.
16. H. van Uffelen, Moderne Niederländische Literatur im Deutshen Sprachraum, 1830-1990. Lit, 1993 (Band 6), p.187.
17. J. Grave, Zulk vertalen is een werk van liefde. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland, 1890- 1914. Nijmegen, 2001, p.137. De eerste vertaling door Otten is van Justus van Effen, Grog américain, in Zeitgeist nr.53, de bijlage bij Berliner Tageblatt 1894, 31 december.
18. F.L. Bastet, Waarde heer Veen, brief 109, p.90.
19. Idem, brief 108, p.80.
20. J. Grave, Zulk vertalen is een werk van liefde, p.68.
21. Een vergelijkbare ontwikkeling was er ook in Nederland. Zie: Lisa Kuitert, Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in Nederland, 1850-1900. Amsterdam, 1993.
22. S. McKenna, Tex. A chapter in the life of Alexander Teixeira de Mattos. London, 1922. p.21.

(Uit: Arabesken 20 (2012), nr.40, p.17-23.)