Een vraaggesprek met Aristide von Bienefeldt
De verschrikkingen van het alledaagse

Aristisde von Bienefeldt. Foto: Diana Snabilié

Zijn debuut Bekentenissen van een stamhouder (2002) bracht de Nederlandse letteren in opperste staat van verwarring. Al snel werd er druk gespeculeerd over de werkelijke identiteit van deze schrijver met de aristocratische naam. Arnon Grunberg en talloze andere namen passeren de revue. De schaarse optredens in de media en de sprankelende kwaliteiten van zijn debuut dragen bij aan het mysterie van romancier en brievenschrijver Aristide von Bienefeldt (1964). Zijn tweede roman, Een beschaafde jongeman (2003), speelt zich wederom af in Parijs, de stad die hij als zijn vaderstad beschouwt. Begin 2007 verschijnt zijn nieuwe boek, Leer mij Walter kennen!, een sleutelroman over homoseksualiteit.

DOOR 

‘Als ik Couperus lees droom ik van hem. Dan komt hij langs, met dat innemende gezicht, hij lacht me toe en als ik wakker word, grijp ik meteen weer naar een van zijn boeken. Het is alsof hij nooit helemaal dood is gegaan, nog altijd een beetje onder ons is, iets wat je eigenlijk van geen enkele dode Nederlandse schrijver kunt zeggen.’
    ‘Couperus is een auteur die geen oordeel uitspreekt over zijn personages, hij zet ze met liefde neer en rekent nooit met ze af. In Noodlot bijvoorbeeld. Bertie wordt nogal eens weggezet als een verwerpelijk figuur, maar het is bijna ontroerend om te zien met hoeveel sympathie Couperus hem beschrijft. Tegen het einde van het boek weet de bedrogene, Frank, nog zoveel aardigs over hem te zeggen dat je als lezer eigenlijk niets anders kan doen dan hem ook maar aardig te vinden.’
    ‘Interessant aan Noodlot is de manier waarop Couperus probeert zoveel mogelijk homoseksuele elementen te infiltreren zonder dat het al te obvious wordt, iets wat in 1892 uitermate gedurfd moet zijn geweest. Neem bijvoorbeeld de verdwijningen van Bertie, je komt er nooit achter wat hij uitspookt, behalve dat hij elke maand een paar dagen weggaat en met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht en modder aan zijn broekspijpen terugkeert. Toen ik een jaar of vijftien was dacht ik dat hij inspiratie opdeed voor gedichten, of misschien in het geheim een roman schreef. Pas toen ik Verwirrung der Gefühle (1927) van Stefan Zweig las, waarin de hoofdpersoon ook geregeld de benen neemt en voldaan zijn rentree maakt, kreeg ik door waar Berties gelukzalige glimlach – en die vuile broeken! – vandaan kwamen. Zweig is dan ook heel wat explicieter dan Couperus. Niet verwonderlijk: de emancipatie van de homoseksualiteit was intussen op gang gekomen.’

Collegiaal
‘Couperus is voor mij de enige Nederlandse schrijver die er toe doet, zijn personages hebben eeuwigheidswaarde, de tram zit zogezegd vol met Eline Veres en Berties. Natuurlijk zijn er ook minpuntjes: die zijige slaoliestijl, vol met Tammy Wynette-achtige sentimentaliteit, die ellenlange zinnen… Daar heb ik niet zoveel mee. In zijn mindere

35
boeken nemen de minpuntjes de overhand. Zo heb ik bijvoorbeeld de grootste moeite gehad Majesteit uit te lezen. Daartegenover staan schitterende oud-Nederlandse woorden en uitdrukkingen waarvan je zou willen dat ze weer ingevoerd werden, via een wetsvoorstel of zo: “poezenliederlijkheid”, een “fulpen kattenzachtheid”. En wat te denken van “kleinachting” en een “whistje slaan”…’
    ‘Net als de meeste Nederlanders maakte ik op school kennis met Couperus: Eline Vere, Van oude menschen…, Noodlot en De stille kracht. Het was de tijd dat Wolkers furore maakte, maar ik wierp me meteen op Couperus. Het was een verademing een schrijver te leren kennen die zich keerde tegen de middelmatigheid en zijn blik naar buiten richtte. Misschien is het dat ene zinnetje geweest, geschreven aan een criticus die zijn werk aanviel – “Treedt eens buiten uw kringetje” – dat mij naar het buitenland gelokt heeft. Bij hem vond ik wat ik ook bij Marcel Proust en bij Anatole France vond: nieuwsgierigheid naar wat er zich achter de horizon afspeelt.’

36
‘Moedig was hij ook: Couperus stelt zich kwetsbaar op in zijn boeken, iets waar andere Nederlandse schrijvers een broertje dood aan hebben. Maar wat hem echt anders maakt, dat is de afwezigheid van een moraliserend toontje; hij neemt waar zonder ooit te oordelen. Elke tien jaar herlees ik iets van Couperus en telkens merk ik weer hoe collegiaal hij schrijft. Hij initieert je in zijn wereld, samen ontdek je zijn universum, samen wandel je zijn verhaal binnen. Een boek elke tien jaar herlezen is trouwens een verrijkende ervaring. Je leert iets over je eigen ontwikkeling; wat je vroeger aanstreepte vind je nu belachelijk, of je begrijpt juist niet waarom je bepaalde passages toen niet aanstreepte.’
    ‘De verhalen die Couperus schreef in Italië en waarin hij vertelt dat hij met Orlando door Florence flaneert, schoenen met hem koopt, zich een pak laat aanmeten en grapjes maakt over de kleurkeuzes, zijn ronduit schitterend. Of er werkelijk sprake is geweest van een verhouding, ja, zelfs of Orlando überhaupt bestaan heeft - dat interesseert me niet. Hier regeert de magie van de schrijver, de verbeeldingskracht van grote literatuur die maakt dat jij daar door Florence loopt, hand in hand met je geliefde. Couperus is de meester van de hunkering, de idealisering van de verheven en onbereikbare liefde, die, zoals hij zo schitterend beschrijft in Extaze, onder een glazen stolp rijpt en almaar verhevener wordt. En almaar onbereikbaarder…’

Verheven liefde
‘Dit sublimeren van de grote liefde, de liefde die te groot is om werkelijk te kunnen bestaan, is ook het thema van mijn tweede boek, Een beschaafde jongeman. Als de partner uit het verhaal, Raymond, overlijdt, dan ervaart de hoofdpersoon dat als een bevrijding: nu kan niets het geluk meer in de weg staan, nu zijn ze voor altijd samen. Couperus is hier, misschien bewust, misschien onbewust een inspirator geweest. Net zoals hij in Antiek toerisme de geliefde als onaantastbaar ideaal op een draaischijf plaatst zodat zij aan een stuk door bewonderd kan worden en daardoor steeds onbereikbaarder wordt, open ik de weg naar sublimatie door mijn hoofdpersoon aan aids te laten lijden, en af te laten zien van seks: de afwezigheid van geslachtelijk verkeer werkt als katalysator voor de verheven liefde. De verhouding mag dan saai zijn, maar de verknochtheid wordt door het ontbreken van seks alleen maar sterker.’
    ‘In mijn persoonlijke leven is het eigenlijk niet veel anders. Ik word nogal snel verliefd, maar als iemand nesteldrang begint te vertonen, dan ben ik snel weg. Ik ben liever alleen en geef er de voorkeur aan, in tegenstelling tot de rest van de mensheid, op afstand lief te hebben. Het is Couperus geweest die deze vorm van de liefde bij mij heeft aangewakkerd. Dankzij hem schaam ik me er niet voor. De verschrikkingen van het alledaagse zijn niet bepaald mijn cup of tea. Naast iemand wakker worden kan voor de verandering best wel eens aardig zijn, maar als je weet dat de volgende dag dezelfde persoon naast je ligt, dan is de liefde gauw over. Ik geloof dat het belang van verhoudingen in onze tijden ernstig overschat wordt. Misschien zou er meer geïdealiseerd moeten worden. En meer Couperus gelezen …’
    ‘Of Couperus en Elisabeth een seksuele verhouding hadden, is moeilijk voor te stellen. Misschien interesseerde het haar niet, wie weet was zij lesbisch. Feit is dat het in die tijd not done was om ongetrouwd door het leven te gaan. Het kan zijn dat hun verhouding vooral op praktische kanten gegrondvest was. Couperus had iemand nodig om de dagelijkse beslommeringen in goede banen te leiden. En daar was Elisabeth: zij organiseerde hun ontelbare reizen, zij richtte de kamers in met het somptueuze fluweel, zodat hij zich ongestoord aan zijn oeuvre en aan zijn pleziertjes kon wijden. Toen ik de biografie over Couperus van Albert Vogel las – ik lees overigens niet graag biografieën

37
van schrijvers, het voelt alsof je in de keuken van de kok kijkt en je kunt je afvragen of een maaltijd beter smaakt als je weet hoe hij bereid is – kwam het bij me op dat ik liever een levensbeschrijving van Elisabeth gelezen had. Hoe je ook tussen de regels door leest, je krijgt totaal geen hoogte van haar. Ze waart altijd ergens rond in zijn nabijheid, als een alomtegenwoordige beschermengel, maar daar moet je het dan ook mee doen. O ja, zij was de eerste die Oscar Wilde’s The Picture of Dorian Gray in het Nederlands vertaalde. Na de dood van Couperus heeft ze nog een heel leven gehad. Ze stierf in 1960. Als er iemand was die alles over Couperus wist, dan was zij het wel. Die vrouw verdient een biografie!’

Te krappe jas
‘Een naam verwerven in de Nederlandse literatuur? Ja, natuurlijk schrijf ik om gelezen te worden, al voel ik me totaal niet thuis in het Amsterdamse literaire wereldje, waar, om Couperus nog even aan te halen, men zich nogal eens verliest in “zelfbewondering” en “elkaarbewondering”. Mijn werk is niet specifiek Nederlands, net zoals ik zelf niet specifiek Nederlands ben. Vandaar dat ik op de internationale markt gok. Niet dat ik nog geen buitenlandse aandacht gehad heb, maar het kan beter!’
    ‘Het is de Nederlandse benauwdheid die me naar den vreemde heeft gejaagd. Als kind vroeg ik me al af of dit nu alles was. Altijd had ik het gevoel, en dat heb ik nog steeds als ik hier langdurig ben, dat het echte leven zich elders afspeelt. Ik zal niet over het bekende maaiveldscenario beginnen (alleen het Koninklijk Huis lijkt zich op dat gebied alles te kunnen veroorloven...), en dat in Nederland een burgeroorlog gedoemd is te mislukken omdat je om zes uur thuis moet zijn om te eten - dat is ook geen nieuws. Laat ik, voor de verandering, het woord maar weer eens aan Couperus geven: “In het buitenland maak je meer mee in een dag dan in Nederland in een heel jaar.”’

Leven in Parijs
‘Dat ik voor Parijs koos – en in mindere mate Londen – en niet zoals Couperus voor Italië, heeft misschien te maken met een scherf van mijn verleden, een scherf die ik ook in mijn eerste boek aanstip: mijn overgrootouders zijn in Parijs aan hun einde gekomen, na een Couperus-achtig bestaan geleid te hebben, waarbij ze al feestend van de ene Europese metropool naar de andere trokken, totdat ze het familiefortuin erdoorheen gejaagd hadden en het doek viel. Voor een kind is zo’n verhaal natuurlijk prachtig, vooral als er zo weinig bekend is dat je er van alles kunt bij verzinnen. Het resultaat was dat ik Parijs al als mijn vaderstad beschouwde voor ik er ooit geweest was. Toen ik voor het eerst voet op Franse bodem zette – ik was een jaar of veertien – had ik het idee thuis te komen. Dat gevoel is nooit overgegaan.’
    ‘Dat Couperus een aversie tegen Parijs had, kan ik me voorstellen. Parijs is een stad die je emoties uitvergroot: als je je slecht voelt, voel je je in Parijs nog slechter, maar als het goed gaat dan is zelfs de sky de limit niet. Deze extremen hebben ook iets met het

38
klimaat te maken: in de winter is Parijs afstandelijk – noordelijk, als je wilt – in de zomer laat zij haar mediterrane gezicht zien. Couperus was er na het schrijven van Noodlot en Extaze, boeken waarin zijn homoseksualiteit aan de orde komen. Misschien besefte hij dat de grote liefde niet voor hem weggelegd was, en altijd een verheven, gedroomde liefde moest blijven. Dat hij er in de winter was, zal het er niet gemakkelijker op gemaakt hebben.’
    ‘In Parijs kan je lot op elke straathoek veranderen. Niet dat dat elke dag gebeurt, maar er hangt altijd wel iets in de lucht: een oude vrouw die in de bus naast je komt zitten en je haar levensverhaal vertelt of iemand die een geheim met je deelt waar hij met niemand anders over durft te praten. In Een beschaafde jongeman vertel ik over mijn vriendschap met een clochard die ik op een bankje langs de Seine had leren kennen. Hij had iets van Candide: ondanks de reeksen afgrijselijkheden die hij had meegemaakt – ik noem alleen een jarenlange opsluiting in een psychiatrische inrichting omdat hij voor zijn homoseksualiteit uit gekomen was en een zelfmoordpoging na de zelfmoord van zijn geliefde – had hij het vertrouwen in de mensheid nooit verloren. Hij was zeventig, en vol hoop op een betere toekomst. Ondertussen voerde hij eenden en bezocht hij gratis concerten die soms in kerken worden gegeven. Hij kende alle adressen uit zijn hoofd. Iemand die je je hele leven bijblijft. Zulke ontmoetingen heb ik ook in Londen. Weet je wat het is? In die steden zijn mensen zich er veel bewuster van dat zij een product van het verleden zijn, er door gemaakt en gevormd zijn, en dat ze het verleden iets verschuldigd zijn. Nederlanders zijn altijd met het nu en met de toekomst bezig. Zo creëer je een respectloze onverschilligheid voor hen die ons voorgegaan zijn en datgene dat zij achtergelaten hebben. De middelmatigheid verwordt tot norm. Ik hoorde laatst dat het graf van Anna Blaman geschud is. Zoiets is in Frankrijk of in Engeland ondenkbaar.’
    ‘De specifieke fascinatie voor het klassieke verleden, zoals Flaubert en Couperus, heb ik echter niet. Couperus voelde zich aangetrokken tot de oudheid omdat hij er zijn verbeeldingskracht op kon botvieren. Hoe verweerder en kapotter de beelden en de tempels, hoe meer hij er van zichzelf in kwijt kon. Misschien ben ik nog te jong… Ik wacht op de vonk.’

Karakterverzamelen
‘Ik ben altijd op zoek naar verbanden. Dat Madame Bovary weleens de tante van Eline Vere zou kunnen zijn, is bijvoorbeeld een vraag die me mateloos boeit. Dingen die me opvallen streep ik aan of schrijf ik op in schriftjes. Het kan altijd van pas komen. Zo heb ik de naam Aldo, die zowel in Van oude menschen als in Aan den weg der vreugde voorkomt, een paar keer gebruikt in mijn boeken. Ook heb ik weleens een passage uit Dickens aangehaald, of schrijf ik vier woorden achter elkaar over uit een boek dat me op een bepaald moment bezighoudt. Als daar dan een lezer op reageert dan heb ik het gevoel dat ik niet voor niets schrijf.’

39
‘De hoofdpersoon van mijn eerste boek werd in de Volkskrant vergeleken met Eline Vere. Vreemd genoeg heb ik nogal wat van dat soort vrouwen gekend, vrouwen met grootse en meeslepende frustraties. Eline Vere is geen uitvinding van Couperus; hij heeft het type vrouw zogezegd op de kaart gezet - net zoals er op een dag iemand homoseksualiteit op de kaart gezet heeft. Ja, de Eline Vere-vrouw ligt me wel. Ik ben een willig slachtoffer van hun verhalen: never a dull moment. Altijd ben ik benieuwd naar hun lotsbestemming, en altijd hoop ik dat het eens een keer anders afloopt. Tevergeefs...’
    ‘Mensen zijn mijn inspiratiebron en ik ontmoet er liefst zo veel mogelijk. Ik verzamel karakters zoals anderen sigarenbandjes verzamelen, maar als ze hun dienst bewezen hebben dan ban ik ze uit mijn leven. Ongeacht of ze zich aan me hechten of misschien zelfs verliefd op me worden. Je zou kunnen zeggen dat ik een professionele dumper ben. Soms sluit ik me voor alles af. Dan kijk ik geen tv, luister geen radio, lees geen kranten. Die achteloze manier waarmee van een bloederig bombardement naar een vraaggesprek met Willeke Alberti gezapt wordt - ik zal er nooit aan kunnen wennen. Uit zelfbescherming moet je af en toe hard zijn.’
    ‘Ik ben opgegroeid in een tijd waarin ons een volmaakte wereld beloofd werd, en ik moet zeggen dat mijn opvoeders het er niet slecht vanaf hebben gebracht: geen moment twijfelde ik er aan dat ze het wel eens niet bij het rechte eind konden hebben. De landing was op z’n zachtst gezegd turbulent. Ik geloof dat ik de ontluistering nooit helemaal te boven gekomen ben.’
    ‘Misschien schrijf ik om met deze ontluistering in het reine te komen, al denk ik toch dat ik in de eerste plaats schrijf om het dagelijks leven draaglijk te maken. Werken is de enige manier om de werkelijkheid te ontvluchten.’

Dit is het achtste deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk. Met dank aan het Museum van Loon te Amsterdam die voor dit interview haar Rode Salon ter beschikking stelde.

(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.28, p.34-39.)