Skip to main content

Cahier 3 Hoofdstuk 6

De romans: Langs lijnen van geleidelijkheid, De boeken der kleine zielen, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan...

In het algemeen kan men stellen dat Nice in Couperus' psychologische roman bijna archetypisch staat voor de plek waar zijn personages hun in het benauwde Den Haag zo onderdrukte levensvreugde en sensualiteit ongebreideld kunnen botvieren - met alle gevaren vandien; want wie niet gewend is met zijn passies om te gaan, kan er gemakkelijk door worden overmeesterd, als de druk eenmaal van de ketel is. De oudheid sprak hier niet tot hem: hoewel de Côte d'Azur kan bogen op een rijk Romeins verleden, was Nice voor Couperus in eerste instantie de stad van het heden, van het Carpe Diem, van het flaneren, het genieten van het zien van mooie mensen onder een stralend blauwe hemel, van het met alle zintuigen indrinken en ondergáán. Italië was het land van zijn ziel, Nice de stad van zijn zinnen: ‘Zoo maakt zij, de witte stad, altijd op wie haar bezoekt en bewonderen komt, dien wulpschen indruk van een lachende, loom neêr liggende vrouw te zijn, die zich geeft. Er is in sommige steden iets manlijks, in andere iets onontkenbaar vrouwelijks en Nice is heel vrouwelijk, Nice is de vrouwelijke sultane-stad, die niets heeft te doen dan mooi te zijn, te glimlachen en toe te lonken, àan te lokken, droomstarende over hare blauwe zee, die tintelt van gouden pailletten en parel-omzoomde golfjes, onder een diep transparanten hemel, waaruit overvloedig de zegen van den Zonnegod neêr over haar zinkt.

Zoo maakt zij, altijd, de witte stad, dien indruk van licht, lucht, zee, warmte, gloed, gloor, gezondheid en weelde en genot en gemakkelijk genoegen aan te bieden aan wie haar bezoeken komt; zoo maakt zij dien indruk van een héel chique cocotte te zijn onder de Steden, of, zoo ge dit liever wilt, een heel dure, maar superbe demi-mondaine te zijn, éénig, de meest superbe, de mooiste, de duurste, de schitterendste: een Bacchante onder de Steden, maar een Bacchante meer tusschen bloemen dan tusschen druiven. een Bacchante tusschen rozen, anjelieren en irissen, zelfs in den winter, vooràl in den winter, als in het Noorden hare zusters en broeders, de andere steden, verkouden huiveren in regen en mist en sneeuw.’(1)

De eerste keer dat Nice voorkomt in Couperus' werk, op een enkele vermelding in Metamorfoze na, is in het laatste hoofdstuk van Langs lijnen van geleidelijkheid, geschreven in Indië in 1900, dus nog voordat het echtpaar Couperus hun intrek nam aan de Côte d'Azur. Cornélie de Retz van Loo neemt uit geldnood een baantje als gezelschapsdame bij een negentigjarige, schatrijke Amerikaanse, die de winters doorbrengt in Nice, in een villa langs de Promenade des Anglais

Hier geeft Couperus een satirisch beeld van de rijke douairière, die al het mogelijke doet om jong te blijven lijken, koste wat het kost: ‘Zij was nu bij Mrs. Uxeley en bewoonde in de reusachtige villa twee lieve kamers, die uitzagen op de zee en op de Promenade des Anglais. [...] Het groote boudoir, de balkondeuren open, zag uit de op zee, waar op de Promenade, de morgenwandeling al begon, kleurig en vlakkerig van parasols, fijn scheltjes tegen de diepblauwe zee, een zee van luxe, water van weelde, golfjes, die als veel geld schenen te kosten, vóor zij bevalligjes verkozen aan te schuiven. De oude dame, al geverfd, haar pruik op, een witte kant over die pruik voor den tocht, lag in de zwarte en witte kanten van haar witten zijden peignoir op de hoop kussens harer chaise-longue [...] 's Middags toerde zij, steeg uit bij de Jetée, maakte haar visites. Maar 's avonds leefde zij op, met iets van werkelijk leven, kleedde zich, deed haar juweelen aan, en kreeg hare uitbundigheid terug, haar uitroepjes, en minauderietjes... Dan waren het bals, feesten, de comedie. Dan was zij niet ouder dan vijftig jaar.' (2)

Het is in Nice waar Cornélie haar geluk - en haar levenslijn - hervindt door zich uiteindelijk weer te storten in de armen van haar eerste man, van wie zij gescheiden was. Haar sensualiteit, haar passie voor dit prachtig wilde mandier wint het, ondanks alles, van al haar rationele overwegingen. Onwillekeurig vraagt de lezer zich af hoe Cornélie zo dom kon zijn, en deze gedachte vormde ook de basis voor veel kritiek op het boek.

In De Boeken der kleine zielen komt de Côte d'Azur maar één keer voor en wel in deel twee, Het late leven. Constances korte verblijf in Nice is een vlucht uit haar problemen in Nederland: met haar huwelijk, haar familie, en de Haagse wereld in het algemeen. Nice wordt een metafoor voor een vrijer, ontspannener, en vooral gelukkiger leven. Voor Constance blijft het slechts een vlucht.

Nice figureert meer in Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan…(1906). Dit is het boek dat in eerste instantie 'de roman van Nice' had moeten worden(3). Uiteindelijk brengt de hoofdpersoon, Lot, slechts zijn wittebroodsweken door in een hotel in Nice, terwijl zijn zuster, Ottilie, in de stad woont.

In dit boek staat, zoals Bastet terecht opmerkt, het zuiden als symbool van liefde, warmte, en levensvreugde lijnrecht tegenover het kille noorden(4). Lot beschrijft het letterlijk zo, maar in dit geval laat Couperus een addertje onder het gras schuilen. De plotseling opstekende Mistral geeft een onheilspellend tintje aan deze zo onschuldig lijkende scène: 'Het is hier het land van leven, en van liefde... Wij zijn te vroeg voor den saison, maar wat kunnen me mooie-menschen schelen... Dit is prachtig, Elly, die weelde van leven, van liefde, van levenskleur, die zich zoo purper dempt in den nacht. De frissche adem van dien krachtigen wind, die nu slaapt... Hoe anders dan de huilwind van ons Noorden, die zoo luguber giert. Die dolle, vroolijke wind hier, en die nu slaapt, als een reus, in den blauwen schoot van de zee, reuzin. Dat is vrijheid, leven, liefde en glans en pracht en vroolijkheid. O, ik zeg niets kwaads van mijn land, maar nu voel ik weêr, na maanden, dat ik vrij adem, en dat er gloed in het leven is en jeugd, en jeugd, en jeugd! Eerst bedwelmt je dat, nu wen ik al aan die dronkenschap...

Zij bleven, op het balkon. Toen de wind wakker werd in den schoot van de zee en weêr opstak, met een onverwachten sprong van zijn reuzige blijheid - met een veeg waaide hij de eerste sterren schoon van de laatste paarse wolken - gingen zij naar binnen, on elkanders middel hun armen. Over de blij rillende zee ruischte de woeste mistal op.’(5)

Vertaling: 'Van dagen en seizoenen' en Mademoiselle Wassilieff
Van het sprookje 'Van dagen en seizoenen' uit de bundel Over lichtende drempels is in een Franse krant een vertaling verschenen van de hand van A. Gradenwitz onder de titel ‘Jours et saisons'. Een knipsel hiervan bevindt zich in het Letterkundig Museum te Den Haag(6).

Helaas bleek het niet mogelijk in Nice de krant te achterhalen waar dit verhaal in gestaan zou kunnen hebben, noch was de naam van de vertaler ergens te traceren. Op de achterkant van het knipsel bevinden zich aanduidingen als 'nos Ardennes' en de afstand tussen Brussel en Lissabon' die doen vermoeden dat de vertaling eerder in een Belgische krant verschenen is.

De Franse vertaling van Langs lijnen van geleidelijkheid waarvan in Couperus' correspondentie sprake is, is nooit verschenen(7). In zijn correspondentie heeft Couperus het bovendien over een vertaalster die bereid zou zijn De berg van licht in het Frans om te zetten. H.T.M. van Vliet identificeerde deze 'energieke vrouw', zoals Couperus haar noemt, als Mademoiselle Wassilieff(8). Zij zou, volgens Couperus, Dimitry Merejkowsky’s La Mort des Dieux hebben vertaald. Deze uitgave noch de naam Wassilieff (of Vassilieva) bleek te achterhalen, zelfs niet in de Russische bibliotheek te Nice(9).

De invloed van Jean Lorrain
De relatie tussen Couperus en deze merkwaardige Fransman is een geheel nieuw onderzoeksveld. Nu aangetoond is dat zij elkaar hebben gekend, zou het hele oeuvre van Jean Lorrain van na 1900 met dat van Couperus moeten worden vergeleken.

In ieder geval hebben Lorrains geschriften Couperus niet onberoerd gelaten. Bastet noemt als inspiratie voor De berg van licht onder andere het verhaal ‘Les Noronsoff’ van Jean Lorrain, waarin Heliogabalus ter sprake komt(10). Inderdaad wordt er in Le vice errant. Les Noronsoff een parallel getrokken tussen de levenswijze van het Romeinse keizertje en die van de Russische Noronsoff-prinsen. De passages over Heliogabalus zelf lijken echter niet overtuigend voor Couperus van belang te zijn geweest. Duidelijker invloed van Lorrains boek is aan te wijzen in het sprookje ‘Van de onzalige erfenis' uit Over lichtende drempels dat Couperus eveneens in 1901 schreef(11). Het kasteel waarin de zonden van allen, die dood zijn, voor de onfortuinlijke erfgenaam in de nachtelijke uren herleven, de spookachtige vrouwenfiguur die opdoemt, en de vampierscène aan het slot, waar de heks de erfgenaam 'als hostie ontvangt', verwijst regelrecht naar de verwikkelingen rond de laatste afstammeling uit het geslacht Noronsoff en de vloek van de vermoorde zigeuner: alle vrouwen van de Russische prinsen worden ’s nachts nymfomaan. Hier is het echter prins Vladimir zelf die zich als vampier op een jeugdige troubadour werpt, om zichzelf met diens gezonde jonge bloed te doen herleven.

Feuilletons: 'Tragiesch diner'
Enkele feuilletons waarin Couperus zijn leven aan de Côte d'Azur beschrijft zijn hier aan de orde gekomen; het zou het bestek van dit Cahier ver te buiten gaan om ze allemaal te behandelen. Een enkele keer beschrijft Couperus een waar gebeurd voorval zó letterlijk, dat het mogelijk bleek de protagonisten te identificeren. Dit is het geval met zijn feuilleton ‘Tragiesch diner.’

‘Ik ben bezweken. Meestal sta ik zeer sterk in mijn schoenen, en als men mij vervolgt met een invitatie, waarvoor ik het onnoodig vind mij te vermoeien te dérangeeren, sleep ik alle mogelijke en onmogelijke voorwendsels er bij de haren bij, om te bewijzen, dat ik onmogelijk de (onwelkome) uitnoodiging kan aanvaarden. […] Voeg daarbij, dat ik heel moeilijk briefjes après-coup schrijf, en ge zult kunnen begrijpen, dat ik verleden gevolg heb moeten geven aan de uitnoodiging van Mr en Mme Grosjean om bij hen te dineeren. op hun Villa Astarte, nota-bene helemaal bij Antibes!!!’

Aldus klaagt Louis Couperus in één van zijn meest amusante feuilletons in Het Vaderland in april 1910(12). Hij is te eten gevraagd bij een echtpaar dat een ‘litteraire salon' drijft, en ‘litteraire diners' organiseert. Couperus' gastvrouw van die avond is een heel bijzondere vrouw. Madame ‘Grosjean' is namelijk de nicht van een beroemd Frans auteur, en haar diners zijn daarom van een bijna plechtstatige ernst doordrongen. Deze auteur heeft een prachtige historische roman geschreven waarin een oude Afrikaanse stad wordt opgeroepen, en de villa in kwestie is genoemd naar Astarte, de godin van die stad. Couperus speelt een spel met zijn lezers, hij laat ze raden naar de identiteit van zijn personages: 'Hoort eens, als ge nu meent, dat ik u nòg iets meer zal verraden!' tart hij jolig voor hij zijn verhaal vervolgt.

Het regent aan de Blauwe Kust, de dag van het diner, en dat maakt de invitatie nog minder welkom. Toch lijkt de ontvangst plezierig. ‘Vele lichten, vele bloemen, vele vlammen in het haardvuur; in de boekenkasten vele werken, geïllustreerd en niet, van den beroemden oom; in een hoek van den salon de groote statue van... de Afrikaansche priesteres - heldin van den roman van Oom - in brons en émail, van een niet minder beroemden sculpteur... Ik àdem in de beroemdheid,’ stelt Couperus sarcastisch vast.

De eregast van die avond is namelijk een ‘Litteraire' Dame uit Parijs. Zij is wel niet zo beroemd als Oom, maar toch iemand zonder wie er in Parijs, 'wat zeg ik, zonder wie in Frankrijk, niets belangrijks gebeuren mag, noch in de litteratuur, noch in de politiek, noch op het tooneel ..' Zij is het die er bij moet zijn, als men een litteraire avond geeft aan de Côte d'Azur.

Helaas; het diner is tot jammerlijk mislukken gedoemd. Juist die avond beginnen telegrammen te arriveren, die berichten over het angstig zwellen van de Seine te Parijs; de eerste overstromingen worden reeds gemeld. 'En zonder mij!' declameert de eregast tragisch.

Het ongelofelijke gebeurt. Vlak voor het diner wordt geserveerd staat de eregast op van haar stoel en roept dramatisch om een rijtuig! Een automobiel! Er is hevige consternatie. Een der gasten spreekt dramatisch haar goedkeuring uit: 'Wie weet, zal uwe prezentie, lieve vriendin, zoo niet de Seine dadelijk tusschen haar boorden terug houden,.. toch een dergelijken invloed uitoefenen, dat alle ellende gelenigd wordt; - votre geste retiendra le fléau!!’ Hierbij heeft Couperus, hetgeen zelden voorkomt, een voetnoot toegevoegd. 'Historisch', staat er onderaan de bladzijde. In elk geval verdwijnt de Litteraire Dame met gezwinde spoed. Het eten wordt koud; de litteraire avond is verpest.

De villa Tanit
Het kostte niet veel moeite uit te vinden wie de ware personages in dit drama zijn geweest. Natuurlijk: Couperus gaf zelf ons de eerste sleutel. De Franse auteur die een historische roman schreef over een Afrikaanse stad - dat kon alleen Gustave Flaubert zijn, en diens Salammbô(13).

Kranten uit het jaar 1910 gaven verder uitsluitsel. Het bleek namelijk dat de Seine in dat jaar werkelijk overstroomde, om precies te zijn: op 25 januari 1910. Dit tragische diner moest dus omstreeks die datum plaats gevonden hebben(14). Wat lezen we in de society-kolommen van de Eclaireur de Nice? Op 24 januari gaf een Mme Franklin Grout, in haar villa Tanit te Cap d'Antibes, een ontvangst voor haar vriendin, Juliette Adam, die blijkbaar op doorreis naar Italië was(15) En is Tanit niet de ware naam van de godin in Salammbô..?'

 

‘Graaf Vasili'
Mevrouw Franklin Grout was inderdaad een nicht van Flaubert. Als jonge vrouw had ze zelf artistieke aspiraties, maar schilderen alleen bevredigde haar niet. Toch verliet zij Normandië om zich in Cap d'Antibes te vestigen voor haar kunst. Zij liet de villa Tanit bouwen, in neo-gothische stijl en maakte die tot een soort museum voor haar beroemde oom(16). Haar tweede man, dokter Franklin, juichte dit initiatief kritiekloos toe(17).

In de eerste salon bevond zich een buste van Flaubert, omgeven door portretten van George Sand, Edmond de Goncourt, en Louis Bouilhet. Aan het andere eind van de kamer waren objecten uitgestald die aan de schrijver hadden toebehoord. Op de eerste verdieping lagen zijn manuscripten ter inzage, en overal werd hij omringd door fameuze tijdgenoten als Alfred de Musset, Frans Liszt en Frédéric Chopin. In dit décor hadden de ‘litteraire avonden' plaats.

Eén van Madame Franklin Grouts eerste vriendinnen aan de Côte d'Azur was de bekende societyschrijfster Juliette Adam, een journaliste die in Parijs publiceerde onder het pseudoniem Graaf Paul Vasili. Zij bracht in het eerste decennium van de twintigste eeuw vele maanden in Nice door om haar mémoires te schrijven, die vanaf 1904 werden gepubliceerd onder de titel Mes souvenirs(18).

Rest ons de vraag: hoe kwam Couperus überhaupt in dit milieu terecht? Het was niet eenvoudig voor een buitenlander, om door te dringen in kringen van de Franse 'grande bourgeoisie', laat staan om op een dergelijke ontvangst te worden uitgenodigd. Om hierachter te komen moeten we wederom grijpen naar de reeds vele malen geciteerde gids Nice et ses environs van Renée d'Ulmès(20). Het voorwoord tot deze gids werd namelijk geschreven door Juliette Adam, onder haar eigen naam (19). De beide schrijfsters kenden elkaar dus. En dat niet alleen: nader onderzoek bevestigde, dat Renée d'Ulmès in haar journalistieke carrière van meet af aan was gestimuleerd door Juliette Adam, ‘le bon génie des jeunes’. Zonder twijfel is het de vriendschap met D'Ulmès geweest, die Couperus toegang heeft gegeven tot één der meest exclusieve salons aan de Côte d'Azur.

In elk geval heeft Couperus ons met zijn 'Tragiesch diner' een onvergetelijk beeld geschetst van het mondaine leven aan de Franse Riviera omstreeks 1910. 'O Fransch artistiek snobisme!’ besluit Couperus zijn feuilleton. ‘O Fransche artistieke ijdelheid! O, Vaderland, ontvang van af deze Blauwe Kust de hulde van uw zelf-verbannen maar toch trouwen zoon voor uwe Eenvoud en uwe Waarheid, want nóoit zullen uwe mannen en vrouwen van talent en verstand zóo  gek, zoo pretentieus, zoo ongelooflijk naïef ijdel kunnen doen..!’

Epiloog
Met de beschrijving van ‘Tragiesch diner’ zijn we aangeland in het jaar 1910, het laatste jaar dat Couperus aan de Côte d'Azur doorbracht. Zoals boven al blijkt, begon de auteur genoeg te krijgen van het leven in Nice. Steeds vaker sluipt er kritiek in zijn wekelijkse stukjes, Hij klaagt over ‘het gemis van alle emotie van deze blauwe kust, vol wreed-harde legenden van ondichterlijkheid'(21). Het ontging hem niet dat in de tien jaar van zijn verblijf daar de kwaliteit van het leven, zo schitterend mondain en wuft aristocratisch omstreeks de eeuwwisseling, gestaag achteruit was gegaan. De eerste Russische revolutie van 1905 had zijn sporen nagelaten, de Eerste Wereldoorlog stond voor de deur. ‘Iederen winter wordt het minder rijk, minder elegant. Iederen winter democratizeert Nice een beetje meer. Het is niet meer de plaats der woeste élegances, der baroque, coûteuze dolheden van Russische prinsen en Amerikaansche milliardaires: het wordt langzamerhand meer en meer een stad van kleine vreedzame renteniers. Het is gedaan met de glorie van Nice(22). Nice, in andere woorden, werd burgerlijk. Er werd te veel gebouwd: ‘Nice wordt een groote stad, en de zevenverdiepingen hooge huizen ontnemen ons de zon. De omstreken zijn geen pijn- en olijvebosch meer, maar particulier park van hôtel en villa. Nice is uitgeperst als een citroen. De Nicenaar heeft zich te gauw rijk willen maken, en nu... nu verwachten wij iederen dag de krach van al die immense hôtels van duizend kamers en meer, die in drie maanden moeten hun kosten dekken; hun kosten van millioenen.' Zijn analyse doet merkwaardig modern aan!

Ook op de Fransen uitte hij nu harde kritiek. ‘Ik ken geen volk zoo egoïst als de Fransen. Het is de moderne blik en de moderne mondtrek van den chauffeur, van den man, die, de hand aan zijn volant, zijn auto de wegen over doet snorren, met geen andere gedachte, dan dat hijzèlve er komt. Dat is de blik en de mondtrek der Franschen en nooit treft mij dit meer dan wanneer ik uit Italië kom, waar de hartelijkheid der Italiaansche, zeer zinnelijke, ietwat sentimenteele, maar vreemd prude natuur zoo geheel anders, maar mij veel sympathieker aandoet dan het Fransche karakter, als ik het leerde zien in Nice; koud, hard, wreed, nauwlijks beleefd: het egoisme met de chauffeurs-fyzionomie.’(23) Op venijnige wijze haalt hij uit naar het Franse literaire establishment, waarin eindeloos pousseren belangrijker is dan talent. De teleurstelling dat zijn werk niet grif in het Frans vertaald werd zal zonder twijfel hebben bijgedragen tot dit beeld. De vertaling van Langs lijnen van geleidelijkheid zowel als die van De berg van licht waren immers niet doorgegaan(24). In het feuilleton ‘De jonge auteur’ beschrijft hij met haarscherpe pen het verschil tussen literair Frankrijk en literair Nederland: de salons, de intrigues, de visites aan uitgevers en critici kosten een beginnend schrijver in Frankrijk handenvol tijd en geld(25). En tegelijkertijd relativeerde hij al deze kritiek weer op zijn eigen onnavolgbare wijze: ‘Natuur en waarheid, die zijn verre van hier! O, gij brave Hollander, die natuur en waarheid bemint, erger u niet te veel, zoo ge haar hier niet aantreft: ge zijt hier niet op de hei bij Putten! Poog nu eens al die gefardeerde onnatuur en schitterende leugens interessant te vinden, want waarlijk, ze zijn interessant: ten minste ons - niet waar, sympathieke medeflâneur? - interesseeren ze meer dan het frischwangige boerinnetje van de Veluwe, hoe lief een melkmeisje zij ook moge wezen.

Ik, ten minste, geef er niets om mijn waarheid uitstralenden en zoo heel natuurlijken medemensch te ontmoeten; ik waardeer meer de factice flonkering der geblankette leugen en wordt meer aangetrokken door het ònnatuurlijke: ik bemin het bochtige van de menschelijke ziel, zoo als ik een baroque parel aardiger vind dan een effen ronde van het zuiverste water - tenminste in mijn morgenstemming van de Promenade des Anglais, want alle onze waardeering hangt af van onze stemming, en de effene, ronde ziel kan mij soms ook wel vervoeren - wanneer zij werkelijk een parel is... of een dauwdrup, waarin zich de hemel weêrspiegelt.’(26)

In zijn feuilletons en in de scènes in zijn romans die in Nice plaatshebben heeft Louis Couperus een onvergetelijk beeld geschapen van het fin-de-siècle aan de Côte d'Azur - een wereld die, naar we ondanks alles spijtig moeten constateren, voorgoed verdwenen is.

 

Noten
1.         De zualuwen neêr gestreken... p. 120/121.
2.         Langs lijnen van geleidelijkheid, p. 190-191.
3.         Bastet, p. 304.
4.         Bastet, p. 304 en 312.
5.         Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... p. 127
6.         Zie Over lichtende drempels, p. 129, noot 34. Het knipsel is oorspronkelijk afkomstig
uit de Slauerhoff-collectie. Onder de vertaling staat als bronvermelding: 'De Gids';
Amsterdam.
7.         Kritiek: zie Bastet, p. 239/240 en 246/247. Volgens Couperus' correspondentie zou
de roman Langs lijnen van geleidelijkheid in 1900 voor de Echo de Paris in het Frans
vertaald worden door Théodor de Wyzewa (zie Van Vliet, brief 7, p. 24/25, noot 5.
8.         Van Vliet, brief 69 (p. 99), noot 1, en brief 72 (p. 104/105).
9.         Informatie van de Association Culturelle de l'Eglise Orthodoxe Russe, 6 Rue
Longchamp, te Nice, 24 september 1996.
10.       Bastet p. 323.
11.       Over lichtende drempels, p.90/117.
12.       Korte arabesken, p. 126/131.
13.       Gustave Flaubert, Salammbô, Parijs 1862.
14.       Begin 1995 had er in het Parijse Gemeentearchief een expositie plaats over de
overstroming van de Seine in 1910. Foto's noch teksten maakten echter melding van
de aanwezigheid van Juliette Adam.
Zie: Paris inondé. Chronique d'un célèbre
catastrophe
, catalogus tentoonstelling Archives de Paris, 10/1-31/3/199.
15.       De volledige tekst luidt: ‘Hier a eu lieu chez Mme Franklin Grout, la seconde
réception à la villa Tanit, Cap d'Antibes. Les nombreux amis de Mme Juliette Adam
étaient heureux de venir la saluer encore une fois avant son départ pour Rome. Le
sympathique professeur Aussel et M Biaslesi, le remarquable violoncelliste du
quatuor d'Ambroisio ont tenu l'assistance sous le charme de leur talent. Mmes
Gallice, Combet en M Joseph Roca, amis personnels de la maîtresse de la maison,
avaient bien voulu prêter leur concours à cette matinée si complètement réussie'.
l'Eclaireur de Nice, 25 januari 1910.
16.       Het interieur is schitterend beschreven door Louis Bertrand, die op zijn beurt een
neef was van madame Franklin-Grout. Hoofdstuk III, La villa Tanit', p. 63/68.
17.       Zie ook Bertaut, p. 252/260.
18. Over Juliette Adam (1836-1936) zie o.a. Raymond Rudorff, Belle Epoque, Paris in the
nineties
, Londen 1972, p. 27 en 37. In haar mémoires wordt Couperus overigens niet
genoemd. Zij verhalen vooral over haar wederwaardigheden tijdens de Derde
Republiek. Juliette Adam was wat tegenwoordig een activiste zou worden genoemd;
zij koesterde vurige republikeinse overtuigingen.
19.       Op. cit. noot 3. Het voorwoord, dus niet de inleiding die Couperus vertaalde in zijn
feuilleton ‘Boomen van weemoed en smart'! Zie hoofdstuk 1.
20.       Dictionnaire biographique (op. cit. hoofdstuk 3, noot 3).
21.       Van en over mijzelf en anderen, eerste bundel, p. 132.
22.       Van en over mijzelf en anderen, eerste bundel, p. 143.
23.       Van en over mijzelf en anderen, eerste bundel, p. 144.
24.       Op, cit., noot 3.
25.       Van en over mijzelf' en anderen, tweede bundel, p. 204/208
26.       Van en over mijzelf en anderen, eerste bundel, p. 133.