Skip to main content
Thema's

Louis Couperus in het Literatuurmuseum

Door Betram Mourits

Wie de naam ‘Louis Couperus’ intikt in de catalogus van het Literatuurmuseum, krijgt een kleine 2000 zoekresultaten. Honderden brieven en tientallen manuscripten op de eerste plaats. Foto’s natuurlijk, illustraties, boekomslagen, zelfs een handjevol schilderijen. Het zijn de dingen die te verwachten zijn in een museum annex literatuurarchief. En dan zijn er nog enkele zaken die met een weidse term ‘Museale voorwerpen’ worden genoemd. Die term suggereert dat die categorie bestaat uit kunstvoorwerpen, maar daartoe worden ook diverse gebruiksvoorwerpen gerekend: vazen, een servies, een paraplu, een boekenkast, een schemerlamp.

Inspiratie in steen

Hoe secundair ook, het zijn soms juist dit soort zaken die je het gevoel kunnen geven dat je bij de schrijver op het bureau kijkt. En dat geldt voor sommige voorwerpen nog wat extra. Het eerste ‘ding’ dat ik onder de aandacht wil brengen, zit op het grensgebied tussen kunst en gebruiksvoorwerp. Het is een beeldje van Eros, een miniatuurversie van de Eros van Praxiteles en het stond op het bureau van Couperus. Het inspireerde hem zeer, en hij schreef er meerdere keren over, bijvoorbeeld toen hij het verhaal ‘Frynè’ schreef. Het verhaal werd gepubliceerd in Het vaderland in het najaar van 1910, de bundel Schimmen van schoonheid verscheen twee jaar later bij Van Holkema en Warendorf. Niet een van zijn grote titels, een verzameling van stukken die Couperus om den brode schreef, maar dat is in dit geval niet van belang. De aardigheid is dat we in dit verhaal de beschrijving die Couperus van het beeld schreef, kunnen vergelijken met het origineel. En die beschrijving is de moeite van het uitgebreid citeren waard:

Zij gaan, de gasten, de tuinen door, de tuinen van Frynè, Praxiteles. Achter des beeldhouwers huis is zijn werkplaats. En tusschen de goddelijke beelden, die zijn bezielde beitel uit het marmer riep, rijst, het allergoddelijkst, de Eros. Een jeugdige, geheel naakte knaap, slank en rank gevleugeld de efebe-rug, fijn en schraal; schraal en fijn ook de teedere beenen, en een der teedere armen rustende op zijn langen boog, een pijl in de andere hand.

Het eerste wat opvalt is natuurlijk wat er in deze beschrijving is toegevoegd aan het beeldje. Vleugels heeft het beeldje niet, en ‘teedere beenen’ evenmin. Ook pijl en boog zijn toegevoegd aan het fictieve beeld toegevoegd. Het overgeleverde beeld is natuurlijk beschadigd: had het ooit benen of was het altijd al een torso? Het maakt Couperus niet uit, sterker nog: de gekortwiekte versie vindt hij eigenlijk mooier, zo vertelt hij in zijn boek over Italië, Uit blanke steden onder blauwe lucht: ‘Kàn het mogelijk zijn, dat deze schoonheden door barbaren vernietigd werden...? Helaas, hoe het ook zij, dit fragment is... Praxiteles' Eros in Rome. Wij hebben niets anders. Wij hebben in Napels wel meer: het geheele beeld, ten voeten uit en wij zijn er verheugd om... maar - hoe vreemd! - dit verminkte beeld is ons liever.’

Terug naar het verhaal ‘Frynè’. Hoewel hij daar pijl en boog beschrijft, misschien uit herinnering aan Napels, vast ook voor een deel uit de verbeelding. Dat hij wel degelijk deze reproductie van het beeld op zijn bureau moet hebben gezet, blijkt onmiskenbaar uit het vervolg van de beschrijving.

Het hoofd is hem even gezonken, de kin rust bijna op zijn eenen schouder en zijn gelaat is aanbiddelijk om schoonheid en weemoed, om weifeling en bevalligheid, om gedachte en peinzing en aarzeling...Het heel lange, heel dichte haar lokt zwaar langs de slapen, tot in den nek en hij bond het boven zijn voorhoofd vast in een knoop. Hij is niet guitig en schalks; hij is ernstig en godeschoon, hij is zóo schoon als een maagd, als een weemoedige maagd, hij is zoo schoon als een ernstige godenzoon, in wien de androgynische ziel weifelt, en de gedachte aarzelt, en de aandoening zwelt bijna tot overvloeiens der oogen van niet te weêrhoudene weemoedtranen...

Dit is hem, dat kan niet missen. Wegkijkend van de toeschouwer, maar niet flirterig, eerder licht beschaamd dan uitdagend, het haar, de blik naar beneden: hierin heeft Couperus zijn beeldje beschreven.

Het mooie hieraan vind ik dat we kunnen zien hoe Couperus te werk gaat wanneer hij het verleden tot leven wil brengen. De kracht van zijn schrijven zit – althans voor mij – voor een belangrijk deel in de levensechtheid waarmee hij zijn personages beschrijft. Of het nu de Haagse coterie is die met zoveel humor worden geportretteerd in bijvoorbeeld De kleine zielen (het eerste boek van zijn magnum opus), of de decadente eettafel van Heliogabalus in De berg van licht, het wordt allemaal beschreven met een levendige vanzelfsprekendheid alsof je er tussen staat.

Het effect van het beeldje wordt vervolgens beschreven, waarbij Couperus zijn eigen emoties projecteert op de mensen die in de tuin staan.

De vroolijke gasten staan voor hem, en zij zijn stil.
En Frynè zegt:
- Hij is schóon...en hij is aanbiddelijk en allerliefst...Hij is om te troosten en te liefkoozen...Hij is nu van mij! Maar zeg mij, Praxiteles, waarom is hij zoo vol van onweêrhoudbaren weemoed? Waarover peinst hij, en wat aarzelt hij...?
Praxiteles nadert Frynè: hij zegt, hij fluistert aan haar oor:
- Aarzel ik niet...in mijn gedachte?? Peins ik niet...? Wèet ik...of je mij lief hebt, Frynè??
Zij lacht, zacht en parelhel. Zij neemt zich den rozenkrans van het hoofd en legt dien aan Eros' voeten. En zij zegt:
- Hij is van mij: Praxiteles' Eros is mij! Maar ik wil hem niet baatzuchtig verbergen in mijn huis, achter jaloersche gordijnen! Hij zal voor àllen te bewonderen zijn en te aanbidden. Ik wijd hem mijne stad, Thespiae; ik wijd hem mijn stadgenooten; ik wijd hem aan Thespiae's tempel. Mijn Eros, die de mijne is...en dien ik aanbid!!
Zij slaat om de fijn schrale knieën van den weifelenden knaapgod hare volmaakt ronde, jonge vrouwe-armen, en zij kust hem de marmeren voeten...
En de gasten, blijde om zóo veel schoonheid, die zij in godelichaam en godeziel vóor zich zien, nemen, als Frynè deed, zich de violekransen van de hoofden en stapelen ze aan des gods marmeren voeten...
Het schijnt, dat hij glimlacht door zijn weemoed en peinzing heen; het schijnt, dat zijn ziel opglanst door hare eigene aarzeling en niet weten wàt en waarom...
 

Een stortvloed van emoties overvalt Frynè, die niet zo goed weet wat ze met zoveel schoonheid aan moet: het is teveel om voor jezelf te houden. Het geëxalteerde taalgebruik komt romantisch over: Couperus laadt de antieke wereld graag op met contemporaine emoties en gewoonten. En dat is de reden dat ook dit verhaal – al is het bij vlagen enigszins larmoyant – nog steeds tot onze verbeelding spreekt: hij slaagt erin om levende mensen en herkenbare figuren zijn antieke vertellingen te laten bevolken.

Dat is voornamelijk te danken aan zijn inlevingsvermogen, de overtuigende psychologie en een stijl, die nooit bloemrijker is dan strikt noodzakelijk. En soms had Couperus een klein beetje hulp van een voorwerp uit de werkelijkheid.